Dit boek is nog niet verschenen. Wie het bestelt krijgt het direct na verschijnen (31 maart 2026) toegezonden.
De samenhang en wisselwerking tussen technologie, politiek en economie is vandaag de dag een uiterst relevant thema. In de negentiende eeuw was de telegrafie een revolutionaire technologie die tijd en ruimte wist te overbruggen, markten ingrijpend transformeerde en nieuwe elektronische publieke ruimten creëerde. In zijn proefschrift onderzoekt Fons Borm de adoptie van de telegrafie in Nederland en Nederlands-Indië tussen 1845 en 1914, en laat hij zien hoe technologie, politiek en economie in deze periode onlosmakelijk met elkaar verweven raakten.
Aan de hand van uitgebreide gereconstrueerde datareeksen, ruimtelijke zones en ontwikkelingsfasen wordt duidelijk hoe sterk het gebruik van telegrafie varieerde, hoe liberale politieke ingrepen – zoals de Telegraafwet van Thorbecke – en staatsinvesteringen de groei stimuleerden, en hoe telegrafie onderdeel werd van het parlementaire debat, internationale diplomatie en geopolitieke spanningen in zowel Europa als Azië. Borm toont aan dat telegrafie niet alleen een technologische innovatie was, maar ook een politiek instrument voor natie- en staatsvorming, koloniale machtsuitoefening én een economische motor die markten integreerde en nieuwe vormen van bedrijfsorganisatie mogelijk maakte. Met concrete businesscases, variërend van spoorwegen tot koloniale handelshuizen, illustreert het proefschrift hoe de telegrafie onmisbaar werd voor de Nederlandse en Nederlands-Indische economie door ‘business built on telegraph’ en hoe zij fungeerde als een ‘tool of empire’.
De Nederlandse telegrafie in de periode 1845-1914 laat zien dat de adoptie van technologie sterk door politieke en economische factoren kan worden gestuurd. Dat biedt een belangrijke les uit het verleden voor de toekomst van technologische ontwikkeling.
Fons Borm is afgestudeerd in 1981 als historicus aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij heeft een zakelijk loopbaan gehad in de ICT-sector. Hij heeft het proefschrift geschreven als buitenpromovendus aan de Universiteit van Utrecht, Faculteit Geesteswetenschappen, Departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis, Groep Economische en Sociale Geschiedenis.