Haarlem is ontstaan op een strandwal. De eerste vermelding dateert al uit de tiende eeuw. De ligging was gunstig, aan een belangrijke noord-zuidroute en met het Spaarne als verbinding naar zee. Nadat graaf Willem II in 1245 stadsrecht had verleend, groeide de stad in de volgende eeuwen uit tot rond de 12.000 inwoners omstreeks 1500. De handel was een belangrijke bron van bestaan. Daarnaast had de stad meer dan lokale betekenis op het gebied van de bierbrouwerij en de scheepsbouw. Het grootste deel van de produktie was echter ingebed in de ambachtelijke gildestructuren en gericht op de lokale behoefte aan voedsel, kleding en onderdak. Al is Laurens Jansz. Coster zeer waarschijnlijk niet de uitvinder van de boekdrukkunst geweest, er waren in Haarlem wel al heel vroeg drukkers werkzaam. Voor het eerst in de geschiedenis werd er literatuur in de volkstaal gedrukt: vooral devotionele instructie en historische prozaromans. Tegen 1500 werden twee rederijkerskamers opgericht, die met hun toneelspelen stedelijke activiteiten opluisterden. Ook konden de Haarlemmers genieten van orgelspel, klokkenspel en optredens van stadsspeellieden. De sterke economische groei van Haarlem na het vertrek van de Spaanse troepen in 1578 ging gepaard met een snelle opbloei van de beeldende kunst. Volgens Karel van Mander (1548-1606) was Haarlem de stad met 'de beste Schilders van het gantsche Nederlandt'. Ook in andere opzichten was Haarlem een centrum van kunst en cultuur. Maarten van Heemskerkck was een van de beroemdste prentontwerpers van de Nederlanden. Ook kende Haarlem een rijke orgelcultuur, een bloeiend literair leven en werd er prachtig damast en zilver gemaakt. Het stadsbestuur, de kerkmeesters van de parochiekerk, de talrijke broederschappen en gilden, de kloosterlingen en de burgers gaven in de zestiende en zeventiende eeuw heel wat geld uit voor prestigieuze gebouwen en de decoratie daarvan. Wie thans door Haarlem loopt, vindt nog talloze herinneringen aan die tijd. De stagnatie en verstarring op economisch en politiek terrein, die eind zeventiende eeuw inzette, had ook invloed op het culturele leven. Alleen Langendijk was een auteur van nationale betekenis; op plaatselijk niveau bloeide vooral het gelegenheidsdicht. De uitgevers bleven echter actief en muziekcolleges zorgden voor een verbreding van de concertpraktijk. De bestuurlijke veranderingen na 1813 maakten een einde aan de politieke invloed van Haarlem in het gewestelijk en landsbestuur. In de loop van de negentiende eeuw zette het herstel langzaam maar zeker in. De bevolkingsgroei kreeg enige vaart en de eerste tekenen van moderne economische groei werden zichtbaar. Het zijn vooral enkele literatoren van nationale allure geweest, zoals Bilderdijk, Beets en Busken Huet, die nog altijd de letterkundige eer van het negentiende-eeuwse Haarlem hoog houden, maar er waren natuurlijk tallozen die actief deelnamen aan het culturele leven in Haarlem. Ook in onze tijd staat Haarlem nog bekend als 'cultuurstad', hoewel de stad niet tot de culturele voortrekkers in Nederland behoort. Haarlem was woonplaats en inspiratiebron voor een aantal belangrijke twintigste-eeuwse schrijvers, waarvan Godfried Bomans wel de meest 'Haarlemse' was. De toneelvernieuwing van de jaren zestig leidde tot de oprichting van de Toneelschuur, die landelijke betekenis kreeg. In amateurverenigingen, orgelconcerten en het Noordhollands Philharmonisch Orkest zet Haarlem de traditie van een bloeiend muziekleven uit vroeger eeuwen ook in de twintigste eeuw voort.