Recht voor de Raad
Jaar van uitgifte 2001
Nur1 680
Nur2 820
Reeks naam Hollandse Studien
Status leverbaar
Taal Nederlands
Bindwijze ing
Bladzijdes 347
Reeks nummer 38
Plaats van uitgave Hilversum
Druk 1

'De schrijfster heeft een inhoudrijk en prettig leesbaar boek geschreven, dat zeker zijn weg in de rechtshistorische wereld zal vinden. De handelsuitgave is fraai geïllustreerd. Een genoegen om een boek als dit in handen te krijgen!' Mr. G.Chr. Kok in: Trema (2002) 7, p. 357. 'Mw. Le Bailly heeft een belangwekkend en goed leesbaar boek geschreven, dat onze kennis over het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland verrijkt.' A.G. Bosch in: BMGN 118 (2003) 1, p. 85-88. 'Duidelijker en beter dan dit boek de procedure aldaar beschrijven is haast onmogelijk.' Dirk Heirbaut in: Tijdschrift voor geschiedenis 115 (2002), p. 602-604; 'Au total donc, une belle étude aussi bien de manuscrits que d'une jurisdiction, qui montre à quel point l'écrit est un élément essentiel des administrations publiques à la fin du Moye Âge.' B.-M. Tock in: Bulletin Codicologique (2006) 2. Verder gesignaleerd in: Hollands historisch magazine 7 (2002) 2, p. 38; Cd-rom Leesidee 2000-2005; Reformatorisch Dagblad, 06-02-2002

Recht voor de Raad

M.C. Le Bailly | 9789070403508
39,
+ Toevoegen
Op voorraad in de webshop
Op werkdagen voor 14.00 besteld, dezelfde dag ter post bezorgd. De levertijd is afhankelijk van de postale diensten.
Plaats op verlanglijstje

Beschrijving

Rechtspraak voor het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland in het midden van de vijftiende eeuw.
 

 

Net als tegenwoordig werd er in het midden van de vijftiende eeuw veel geprocedeerd: jaarlijks nam het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland, het grafelijke justitiehof, zo'n 140 processen in behandeling. Marie-Charlotte Le Bailly heeft alle bewaard gebleven processen uit de periode 1457-1467 geanalyseerd en beschrijft hoe de procedure voor het Hof in de praktijk verliep, wie er procedeerden en waarover. Daarnaast besteedt zij uitgebreid aandacht aan de rechterlijke organisatie in Holland, Zeeland en West-Friesland in de vijftiende eeuw en aan de archiefvorming bij het Hof tot circa 1500. Deze sociaal-rechtshistorische studie legt een aantal opmerkelijke feiten bloot. Zo valt de relatieve afwezigheid van de Zeeuwen op. Zij gaven de voorkeur aan hun eigen rechterlijke instellingen, ook al waren die niet altijd toereikend. Frappant is ook de activiteit van de procureur-generaal, die in bijna dertig procent van de rechtszaken de enige aanklager was. Hij vertegenwoordigde de belangen van de vorst en trad op als officier van justitie in strafzaken. Verder blijkt dat het Hof niet alleen als rechtbank fungeerde voor geprivilegieerden (adel, ambtenaren, geestelijken, weduwen en wezen), maar dat er evenveel niet-geprivilegieerden voor het Hof verschenen. Dergelijke vaststellingen tonen duidelijk het belang aan van de onderzoeksrichting die met deze studie wordt ingeslagen.