Verhandeling over het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen
Jaar van uitgifte 1993
Nur1 680
Nur2 691
Status leverbaar
Taal Nederlands
Bindwijze ing
Bladzijdes 159
Redactie J.A. de Moor e.a.
Plaats van uitgave Hilversum
Druk 1

'Met de voorbeeldige heruitgave van de werken van Jacob Haafner (1754-1809) door Jaap de Moor en Paul van der Velde heeft Nederland er een groot schrijver bij gekregen.' Ewald Vanvugt in: Vrij Nederland 19-2-1994. 'Omdat Haafner onze beste schrijver was voor Multatuli, en als stilist en polemist in menig opzicht vooruit loopt op Douwes Dekker (die Haafner kende en waardeerde), is deze verhandeling ook nu nog een genot om te lezen.' Maarten 't Hart in: NRC-Handelsblad 11-6-1994.

Verhandeling over het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen

Jacob Haafner | 9065503773
19,
+ Toevoegen
Op voorraad in de webshop
Op werkdagen voor 14.00 besteld, dezelfde dag ter post bezorgd. De levertijd is afhankelijk van de postale diensten.
Plaats op verlanglijstje

Beschrijving

Een kritiek op zending en kolonialisme.
 

 

'Zij, die op dezen wijden afstand zendelingsgenootschappen oprigten, weten niet hoe het onder Europeanen in die landen toegaat. Zij weten niet, dat alle bekeerde heidenen door hun met de uiterste verachting worden behandeld. Zij kennen het lage vooroordeel der blanken tegen de Indische volken niet. ... Eindelijk hun is onbewust, hoe men deze neophyten zal onderdrukken, zwaren arbeid opleggen en duizend kwellingen aandoen, die de leden van diergelijke sociëteiten, nooit ter ooren zullen komen, om dat hunne zendelingen omtrent de dwingelandij en het schandelijke leven der gindsche Europeanen een diep stilwijgen in acht nemen, waar door die dus in Europa meest al onbekend zijn en blijven.' Dit citaat is afkomstig uit een verhandeling die Jacob Haafner schreef als antwoord op een prijsvraag van het Teylers Godgeleerd Genootschap uit 1803 naar de verdiensten van de zendelingen en zendelingsgenootschappen voor de verbreiding van het christendom. Ondanks het vernietigende oordeel van Haafner over zending en missie, werd zijn verhandeling - de enige die het genootschap ontvangen had - bekroond. Voordat tot publicatie werd overgegaan, moest Haafner wel enige wijzigingen aanbrengen. Haafner baseerde zich vooral op eigen waarnemingen tijdens een bijna twintigjarig verblijf overzee en op werken van de verlichtingsfilosofen Voltaire, Montesquieu, Rousseau en op auteurs die net als hij op basis van eigen ervaringen schreven zoals Vaillant, Stedman, Frossard, Gage en De Las Casas. Het bijzondere van Haafners boek is, dat het voor het eerst een wereldomspannende, vergelijkende studie biedt van de zending. Hij beschrijft de methoden van de zendelingen en de reacties daarop van de bevolking in Zuid-Afrika, Zuid-Amerika, China, Japan, Tahiti en het Caraïbisch gebied. In zijn betoog zijn telkens twee hoofdbezwaren tegen de zending aan te wijzen: de bevolking heeft geen behoefte aan het christendom en de zendelingen en overige Europeanen in de koloniën zijn zo door en door slecht dat ze zelf de grootste hinderpaal vormen bij de prediking van de christelijke leer. De zendelingen hebben dus geen enkel nut gehad voor de verbreiding van het christendom, zo luidt de conclusie van Haafner, en zo lang het kolonialisme blijft voortbestaan en het gedrag van de Europeanen zich niet ingrijpend wijzigt, zal dit zo blijven. 'Il est difficile de servir un Dieu qu'on connait pas, plus difficile encore d'aimer le Dieu de ses Tirans.'