Een naam en een leven
Een naam en een leven

Een naam en een leven

Van vondeling tot werkend bestaan in Amsterdam

Ergens in de jaren tachtig stuitte ik bij genealogisch onderzoek op een voorouder die in 1791 te vondeling was gelegd. De vondst bracht me bij een geschiedenis die ik nauwelijks kon bevatten: die van de ruim 20.000 kinderen die rond 1800 in Amsterdam als vondeling in het Aalmoezeniersweeshuis werden opgenomen.

In het eerste deel van dit verhaal stond de vraag centraal: wie waren deze kinderen? Waarom werden ze te vondeling gelegd? Wie waren hun moeders? En welke verantwoordelijkheid nam de overheid voor hen? Maar daarmee begint hun verhaal pas.

Wat gebeurde er na de inname? Welke naam kregen deze kinderen? Werden zij alleen een nummer in het grote register, of kunnen we hun verdere leven nog volgen? En wat gebeurde er met hen toen zij het weeshuis verlieten? Vonden ze werk, en zo ja: wat voor werk? Aan de hand van de namen die de kinderen bij hun opname kregen en het onderzoek naar een aantal individuele vondelingen probeer ik hun levens weer zichtbaar te maken. Soms zijn er maar enkele sporen terug te vinden, soms kunnen we iemand jarenlang volgen. Zo ontstaat uit de grote groep van 20.000 kinderen een verzameling persoonlijke verhalen.

De zoektocht naar deze kinderen en hun levens vormde uiteindelijk de basis voor mijn boek Vondelingen.

Als kinderen opgenomen werden, waren ze vaak nog niet gedoopt. Dat betekende dat de regenten hen van een naam moesten voorzien. De regent die voorzitter van de regentenvergadering was, mocht die maand de naamloze kinderen een naam geven. 

Namen

Als kinderen opgenomen werden, waren ze vaak nog niet gedoopt. Dat betekende dat de regenten hen van een naam moesten voorzien. De regent die voorzitter van de regentenvergadering was, mocht die maand de naamloze kinderen een naam geven. Gelukkig honoreerden ze de verzoeken van de ouders om hun kind met een bepaalde naam te laten dopen. Wonderbaarlijk veel ouders vroegen om een voor- en achternaam. Waarschijnlijk was dat niet de letterlijke naam van de moeder of de vader vanwege de angst om opgespoord te worden. Te vondeling leggen was, net als nu, strafbaar. Zo werd Hendrika Hoefnagel Hoefspijker genoemd, wat bleek toen haar oma, die vroedvrouw was in Dordrecht, haar kwam ophalen.

De namen die gegeven werden, werden vaak ontleend aan de vindplaats. Zo zijn er heel wat kinderen gedoopt met een naam die verbonden was met de ververij naast het weeshuis. Ze werden Verf, Verver, Ververij genoemd of kregen een kleur als achternaam. Of de regent vormde een naam met de vindplaats en de leeftijd van een kind. De drie maanden oude Femmetje Driepaard was gevonden bij de Hollandse Manege, die toen nog aan de kop van de Leidsegracht stond.

Innameboek SAA

Soms werd de naam afgeleid van de naam van de bewoner op wiens stoep het kindje gevonden was. Kinderen die werden gevonden op de Prinsengracht aan de overzijde van het weeshuis op de stoep van de heer Nagel, de bewoner van het Provinciehuis Zeeland, kregen namen als Nagel, Nagelen, Spijker, Viernagelen of iets chiquer op z’n Frans: Cloux.

Het uiterlijk van kinderen leidde tot namen als Kalekop, Eenoog, Schoone of Zonderling (voor een Joods jongetje).

Sommige regenten kwamen op ideëlere namen die een relatie hadden met de moeilijke tijden of met de situatie van het kind als vondeling. Redelijk wat kinderen werden Hoop genoemd. Anderen kregen namen als Vreede of Vreesniet.

Weerzinwekkend vanuit ons hedendaagse perspectief zijn namen waarmee een kind direct als vondeling te herkennen was. Namen zoals Weetniet, Ouderloos, Caesar Appeleus of Nieuwjaar. Toch was er wel degelijk besef dat namen respectvol moesten zijn om de kinderen niet te stigmatiseren. Helaas handelde niet iedere regent daarna. Een meisje de naam Zwanger geven of Vrugtbaar getuigt niet van besef van de gevolgen daarvan voor het kind.

Ook ouders gaven soms eigen bedachte namen op voor hun kind. Daarmee drukten ze in feite hun eigen gevoel uit. Ook die werkten stigmatiserend, maar zijn tegelijkertijd ook hartverscheurend, zoals namen als Abraham Enkelvoort, of Stefania de Ongelukkige, of de tweeling Margaretha en Jacob Bitter, of Frans Lieveling.

De meeste kinderen hebben nooit weet gekregen van hun namen, omdat ze ver voor ze bewustzijn kregen al overleden waren.

Twee aalmoeziersjonges lopen de Leidse Poort uit om buiten de stad te gaan vliegeren. Tekening door H. P. Schouten, 1779. Bron SAA.

De echte beleving van het vondeling zijn, wat dat met een kind doet, of waarom de ene min maar 1 kind in huis heeft gehad en de andere wel 150, dat kom je pas te weten door onderzoek naar de individuele personen.

De mensen achter de cijfers

Met alle data van het onderzoek naar de kinderen van 1792 was het mogelijk allerlei statistieken te maken, bijvoorbeeld hoeveel kinderen in 1814 nog in leven waren en hoe het sterfteverloop was opgebouwd. Of over waar ze terechtkwamen nadat ze het weeshuis verlaten hadden, of wie er nog in staat waren een gezin te stichten. Ook de minnen leverden veel data op: waar waren ze geboren, met wie trouwden ze, konden ze schrijven, waar woonden ze, hoeveel aalmoezenierskinderen hadden ze opgenomen?

Maar de echte beleving van het vondeling zijn, wat dat met een kind doet, of waarom de ene min maar 1 kind in huis heeft gehad en de andere wel 150, dat kom je pas te weten door onderzoek naar de individuele personen.

Om een voorbeeld te noemen: Cornelis Vollenhoven, die het onderzoek deed naar de kinderen van 1792, noteerde van twee meisjes dat ze in een publiek huis terecht waren gekomen. Ze waren niet terug te vinden. Bij recent onderzoek vond ik echter een van hen toch terug: de pasgeboren Hendrika Winken. Ze werd op 5 mei 1792 gevonden voor de stal van slager Bouman aan de overzijde van het weeshuis. De stal was van de slager George Baumann die zijn slagerij in de Leidsestraat op de hoek van Prinsengracht had. Zijn stal had hij een paar huizen van die hoek, in het huidige nummer 697. Hendrika was een van de zes kinderen die er dat jaar gevonden werden.

Ze had een prachtig geschreven briefje tussen haar kleertjes met het verzoek haar Henderika Winken te dopen.

Inschrijving Hendrika Winken 05-05-1792, Bron: SAA.

Ze werd bij een min geplaatst in een gang in de Passeerderstraat. Ze kon Hendrika borstvoeding geven en deed dat een jaar lang. Na 14 maanden werd Hendrika verplaatst. De reden ervan is niet duidelijk. De min kreeg geen andere kinderen meer. Hendrika werd naar een zeer ervaren min geplaatst, Helena Course, die ik onder de ‘topminnen’ schaar omdat ze zoveel kinderen verzorgd heeft. Dat waren dikwijls kinderen die er slecht aan toe waren en aan wie ze alleen maar stervensbegeleiding kon geven. Bij haar bleef Hendrika tot ze 6 jaar was en naar het Kinderhuis van het Aalmoezeniersweeshuis op de Prinsengracht moest. Lena Course, kreeg na het vertrek van Hendrika Winken nog vele kinderen te verzorgen. In totaal kreeg ze 94 aalmoezenierskinderen. De laatste zes kinderen moesten verplaatst worden omdat Helena afgeleefd was en kort daarna op 61-jarige leeftijd overleed. Uit de statistieken kwam ze over als een goede betrouwbare min, maar hoe moeilijk haar leven was, werd pas duidelijk naar onderzoek op microniveau.

Bij de opname in het Kinderhuis van het Aalmoezeniersweeshuis was Hendrika een half jaar ouder dan de meeste kinderen van haar jaar. Dat betekent over het algemeen dat er iets met de gezondheid aan de hand was. Ze mocht ook pas de overstap naar het Grootmeisjeshuis maken toen ze 11 jaar was. In mei vond altijd de grote doorschuif plaats. De kinderen die geacht werden zelfstandig door het leven verder te kunnen, verlieten het weeshuis. Ze waren dan meestal rond de 20 jaar oud. De leeggekomen plaatsen werden opgevuld door kinderen uit het Kinderhuis die daar rijp voor geacht werden door de schoolmeester - hun plaatsen werden weer opgevuld door minnenkinderen.

Gerrit Lamberts, Prostitutie in de Kromelleboogsteeg gezien naar de Dam, ca 1810. Bron Beeldbank SAA.

Toen Hendrika naar het weeshuis ging, ontmoette ze daar Antonia Durman, die een jaar eerder in het Kinderhuis opgenomen was. Hendrika ging door de moeilijke fase van de overstap van het kleine woninkje van haar vertrouwde min naar het enorme gebouw op de Prinsengracht. Antonia had dit een jaar eerder meegemaakt. Van het overzichtelijke gezin en de overzichtelijke buurt naar een plaats waar ze opgingen in een heel groot geheel. Ze voelden zich verloren en weggedaan. Voor beiden was de overstap naar het Kinderhuis de derde keer dat ze in een compleet nieuwe omgeving terechtkwamen. De eerste twee keer herinnerden ze zich niet, maar met de kennis van nu weten we dat die momenten wel een grote impact op hen gehad hebben. Hun hechting heeft meerdere keren een knauw opgelopen, wat enorme gevolgen voor hun verdere leven had. Antonia en Hendrika groeiden samen op, leerden breien, naaien, schrijven en lezen. Ze gingen tegelijk naar het Grootkinderhuis. Misschien is hun band daar verstevigd. Antonia verliet een jaar eerder dan Hendrika het weeshuis. Mogelijk hielden ze contact. Antonia werd waarschijnlijk geronseld door een hoerenwaardin. Publieke huizen werden gerund door een hoerenwaardin. De vrouwen die voor hen werkten, kregen er kost en inwoning. Vanwege hun beperkte sociale netwerk en hun kwetsbare positie werden juist weesmeisjes door hoerenwaardinnen benaderd, ook meisjes uit het Burgerweeshuis. Hendrika volgde Antonia’s voorbeeld. Kinderen met een hechtingsstoornis zoals Hendrika en Antonia werden onzeker, zochten de grenzen op en raakten soms geobsedeerd door seks. Hoewel de regenten en regentessen zeer gespitst waren op het voorkomen van seksuele handelingen tussen de jongens en de meisjes van het weeshuis, lukte dat niet altijd. We weten niet hoe het wat dit betreft Antonia en Hendrika is vergaan.

Het laat zich raden waarom Hendrika opgenomen was. Ze herstelde er niet meer van en nadat ze anderhalf jaar in het ziekenhuis was verpleegd, overleed ze. Ze was pas 26 jaar. Je hart bloedt voor dit kind. En voor al die kinderen die het niet gered hebben.

Werk vinden

Het was voor de meisjes van het jaar 1792 erg moeilijk om aan werk te komen, omdat het er gewoon niet was. Een aantal meisje meldde zich vrijwillig aan voor het werkhuis, om tenminste iets te verdienen en te eten te hebben. Niet de plek die de regenten voor ogen hadden als resultaat van een geslaagde opvoeding.

Antonia en Hendrika raakten in de prostitutie. De publieke huizen waren te vinden in wat nu de roze buurt wordt genoemd. Rond de Gelderse Kade waren de officiële, getolereerde en gecontroleerde hoerenhuizen. Vanaf de Franse tijd werden de publieke vrouwen verplicht medisch gecontroleerd. In de Lastage en met name in de Ridderstraat en de Jonkerstraat tierde de illegale prostitutie. De klanten waren hier de mannen die niet veel te verteren hadden. De etablissementen waren goor en vuil.

Hendrika vond ik terug in het Buitengasthuis, het latere Wilhelminagasthuis. In 1818 startte het Buitengasthuis met de patiëntenboeken. Hierin werden de opgenomen patiënten genoteerd met hun bednummer, leeftijd, beroep, partner, ouders en wanneer ze opgenomen, ontslagen of overleden waren. Ook Hendrika staat hierin vermeld.

Detail van de inschrijving van Hendrika Winken in het Buitengasthuis. Haar naam is onjuist gespeld, ook haar leeftijd is 2 jaar te hoog, maar dit is wel degelijk Hendrika Winken. Schrijfwijzen gaan vaak nog fonetisch en vondelingleeftijden worden regelmatig onjuist vermeld.

Ze werd evenwel al in 1816 opgenomen, vier jaar nadat ze het weeshuis had verlaten. Ze woonde toen op de Bierkade. Dat was het deel van de Oudezijds Voorburgwal vlakbij de Oude Kerk en middenin de hoerenbuurt. Als beroep had ze naaister opgegeven, net zoals de vrouwen die ongeveer tegelijk met haar opgenomen waren. Het was tamelijk gebruikelijk dat prostituees dit beroep opgaven. Het laat zich ook raden waarom Hendrika opgenomen was. Ze herstelde er niet meer van en nadat ze anderhalf jaar in het ziekenhuis was verpleegd, overleed ze. Ze was pas 26 jaar. Je hart bloedt voor dit kind. En voor al die kinderen die het niet gered hebben.

Na al die jaren dat ik onderzoek doe naar deze kinderen, is het nog steeds niet gewend. Elke keer raakt het me weer als ik zie door welke moeilijke situaties ze gegaan zijn. Gelukkig zijn er een aantal kinderen die een redelijk leven hebben weten op te bouwen. Het zijn er niet veel. Als ze nakomelingen hebben, zijn die altijd heel trots op hen, omdat ze sterk waren en zich hebben weten te handhaven. De tentoonstelling en het boek hebben de geschiedenis van de vondelingen weer naar boven gehaald. Dit betekent veel voor hun nakomelingen. Het is erg mooi dat archieven deze rol kunnen spelen.

Verder lezen?

De namen en levens van deze kinderen laten zien dat een vondeling niet eindigde bij de deur van het Aalmoezeniersweeshuis. Na hun opname kregen zij een naam, groeiden zij op en moesten zij uiteindelijk hun eigen weg zien te vinden. Sommigen vonden werk en bouwden een zelfstandig bestaan op; van anderen blijven slechts enkele sporen in de archieven over.

In deel 1, De kinderen die niemand wilde, stond de andere kant van hun verhaal centraal: waarom werden kinderen te vondeling gelegd, wie waren hun moeders en hoe nam de overheid de zorg voor hen op zich? Samen vormen de twee artikelen een reis van de vondeling die wordt binnengebracht naar de jongvolwassene die het weeshuis weer verlaat.

Mijn zoektocht naar deze kinderen begon bij één voorouder en groeide uit tot een jarenlang onderzoek naar duizenden vondelingen. De resultaten daarvan zijn samengebracht in mijn boek Vondelingen.

Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg