De vergeten vondelingen van Amsterdam
De vergeten vondelingen van Amsterdam

De vergeten vondelingen van Amsterdam

20.000 vondelingen in het Aalmoezeniersweeshuis

Ergens in de jaren tachtig stuitte ik bij genealogisch onderzoek op een voorouder die in 1791 te vondeling was gelegd. Die vondst bracht me bij een geschiedenis die ik nauwelijks kon bevatten: die van de ruim 20.000 kinderen die rond 1800 in Amsterdam als vondeling in het Aalmoezeniersweeshuis werden opgenomen. Het doorbladeren van het innameboek waarin mijn voorouder stond ingeschreven, maakte diepe indruk. Op iedere bladzijde stond een nieuw kind. De ene na de andere inschrijving. Wie waren al die kinderen? Waar kwamen ze vandaan en waarom werden ze te vondeling gelegd?
Innameboek 1792 van het Aalmoezeniersweeshuis met de bladzijde van Abel Weetniet. Foto Nanda Geuzebroek.

Dat waren de vragen die mij steeds verder het archief in trokken. Wie waren deze kinderen? Waarom werden ze te vondeling gelegd? Wie waren hun moeders? En welke verantwoordelijkheid nam de overheid voor hen?

In dit eerste deel gaat het over de wereld waarin deze kinderen terechtkwamen: het Aalmoezeniersweeshuis, de moeders die hun kinderen achterlieten, de mensen die voor hen zorgden (minnen) en het systeem dat hun opname en verzorging regelde. Maar hun geschiedenis stopt niet bij de opname. Eenmaal binnen kregen de kinderen een naam en begon een nieuw hoofdstuk van hun leven. Welke namen kregen ze? Hoe verging het hun en wat gebeurde er toen zij het weeshuis weer verlieten? Dat verhaal staat centraal in het tweede deel, Een naam en een leven.

Mijn zoektocht naar deze kinderen groeide uiteindelijk uit tot het boek Vondelingen.

Extra gegeven

Ik koos voor mijn onderzoek niet het jaar waarin de voorouder gevonden was, maar 1792. Cornelis Vollenhoven, een regent van het Aalmoezeniersweeshuis, had onderzoek gedaan om aan te tonen dat het weeshuis niet de beoogde doelen haalde. Vanuit het verlichtingsideaal dat de toenmalige regenten aanhingen, rekenden ze op een positief resultaat van een opvoeding van de vondelingen door ze niet alleen een dak boven hun hoofd te geven en te voeden, maar vooral ook door ze onderwijs te geven, zodat ze een vak leerden. Onderricht in de gereformeerde godsdienst zagen ze als een stevig fundament onder de opvoeding tot verantwoordelijke burgers. Vollenhoven ging na hoe de situatie van alle kinderen van 1792 was in 1814, toen de meesten het huis verlaten hadden. Dat gaf mij een belangrijk gegeven extra.

Johannes Jelgerhuis. De kinderen komen in een stoet terug uit de kerk. Ze worden begeleid door de schoolmeester van het Kinderhuis, een kinderhuismoeder en een aantal jongens en meisjes uit het Grootkinderhuis. Bron: Amsterdam Museum.

Overheidsverantwoordelijkheid

Het is bijzonder dat de burgemeesters van de stad Amsterdam het Aalmoezeniersweeshuis hebben ingericht. Daarmee namen ze hun verantwoordelijkheid. Het was niet overal zo dat overheden dat deden. In Londen bijvoorbeeld, was de zorg voor vondelingen een kwestie van liefdadigheid. Dat betekende dat maar een beperkt aantal kinderen zorg kreeg. De Amsterdamse burgemeesters moesten allerlei belastingen creëren om het weeshuis te laten draaien. Het Aalmoezeniersweeshuis was het enige weeshuis waar vondelingen konden worden opgenomen. Ze mochten niet geweigerd worden. Toen de Fransen de dienst gingen uitmaken en de economie de nekslag gaven, werd dat een bijna onmogelijke opgave. Daarnaast draaide Amsterdam ook op voor de kosten van levensonderhoud van de vondelingen die van elders binnen de stad werden gebracht. Naarmate er minder geld bij de stad binnen kwam, daalde de bijdragen aan het Aalmoezeniersweeshuis, waardoor de zorg minder werd. Wat dat betreft is er niet veel veranderd: ook nu is de jeugdzorg afhankelijk van overheidsgelden en gevoelig voor bezuinigingen.

De jongenspoort vanaf de Jongensplaats gezien. Rechts de portier. Een regent komt binnen vanaf de Prinsengracht. Een min zit met haar eigen kind en een vondeling te wachten om thuis gebracht te worden door een weeshuisknecht, de man in het midden. De kantoorjuffrouw komt de poort binnen vanuit haar vertrekken met het uitbesteedboek in haar hand. Daarin schrijft ze de gegevens van de min, zodat het weeshuis weet waar het kind woont. Op de voorgrond vier weeshuisjongens. Schilderij door Johannes Jelgerhuis, Bron Amsterdam Museum.

Minnen

Het archief van het Aalmoezeniersweeshuis is niet alleen een van de meest aangrijpende archieven dat het Stadsarchief Amsterdam beheert vanwege de vondelingen, maar ook vanwege de minnen, die de kinderen in hun eerste levensjaren in huis namen om zo zelf de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Achter alle statistieken gebaseerd op de gegevens uit dit archief gaat onnoemelijk veel leed schuil. Kinderen die weinig levenskansen hadden en minnen die sappelden om hun eigen kinderen te kunnen voeden en kleden. Minnen die hun eigen kinderen zagen overlijden aan pokken, borstkwalen, mazelen en darmziekten, terwijl ze door moesten gaan met het voeden van het aalmoezenierskind. Minnen die weduwe waren geworden en het ene na het andere aalmoezenierskind in huis kregen, van wie er velen slecht aan toe waren. Ze gingen daarmee vaak door tot hun eigen dood. Er zijn veel mensen die van deze kanjers van vrouwen afstammen. Sinds kort is de index van het Stadsarchief verrijkt met een minnenindex waarmee nakomelingen hun voormoeder kunnen vinden. Ik heb zelf ontdekt tijdens mijn onderzoek, dat alle vier mijn voormoeders in mijn moederlijn rond 1800 min zijn geweest voor het Aalmoezeniersweeshuis.

Een eengezinswoning. Moeder doet de was, vader oefent zijn beroep uit, de kinderen spelen, hond slaapt. Bron Abraham van der Strij, RM-RP-T-1921-143.

Moeders

Anders dan vaak gedacht wordt, zijn degenen die hun kind te vondeling legden of zetten, niet alleen maar ongehuwde moeders. Die zijn er natuurlijk wel veel. Soms werden kinderen vlak voor ze te vondeling werden gelegd, nog gedoopt. Navraag bij de betreffende kerken leverde dan wel de namen van de ouders op, maar met name de vader had dan allang de stad verlaten en was onvindbaar. Moeders wilden echt nooit scheiden van hun kinderen. Ze hielden hun kind bij zich totdat hun toestand door geldgebrek zo sterk verslechterde dat ze het niet meer konden voeden. Ze hoopten dat het gered zou kunnen worden door het over te dragen aan het Aalmoezeniersweeshuis. Helaas was het dan vaak te laat en overleed hun ernstig verzwakte kindje vlak daarna.

Dat gold ook voor moeders van wie de man werkeloos of ziek was geworden, overleden was of vertrokken op een oorlogschip zonder de financiën goed te regelen. De moeder had vaak meerdere kinderen van wie ze echt geen afstand wilde doen. Soms zwierf ze met hen door de stad en sliepen ze ‘onder de blote hemel’. Uiteindelijk ging ze ten einde raad over tot het te vondeling zetten. Meestal werd eerst de jongste te vondeling gelegd, maar omdat haar situatie niet verbeterde nam ze haar kinderen mee naar de Prinsengracht en liet hen achter op een stoep vlakbij het weeshuis. De moeders die briefjes meegaven, uitten vaak de wens om hun kind weer op te halen als haar situatie verbeterde. Helaas kwam dat er meestal niet van. Het kind was al overleden voor ze dat kon doen of ze wist haar situatie niet ten goede te keren.

Het bijzondere is dat de moeders vaak in dezelfde situatie zaten als de minnen: ze waren weduwe of hadden een werkloze man en woonden in dezelfde buurt als de minnen. Dat veel vondelingmoeders ongehuwd waren, verklaart maar deels het verschil tussen te vondeling leggen en een vondeling verzorgen. Het grote verschil tussen de minnen en de vondelingmoeders was dat zij geen sociaal vangnet hadden. Ook minnen waren soms met een migrant uit Duitsland gehuwd, maar kwamen zelf uit een gezin dat al langer wortels in Amsterdam had. Ze konden een beroep doen op familie of buren die ze al heel lang kenden.

Het Aalmoezeniersweeshuis rechts. Zowel voor het weeshuis als aan de overzijde van de gracht zijn vele kinderen te vondeling gelegd of gezet. Tekening van H.P. Schouten. Bron SAA.

Vindplaatsen

De meeste kinderen werden zo dicht mogelijk bij het weeshuis achtergelaten. Het laatste wat de moeder voor haar kindje kon doen, was ervoor zorgen dat het snel in het weeshuis binnengebracht kon worden. Hoe dichterbij het weeshuis haar kind gevonden werd, hoe sneller het zorg zou krijgen.

Daarom waagden de vondelinglegger zich zo dicht mogelijk bij het weeshuis en werden de bewoners op de Prinsen- en Leidsegracht regelmatig opgeschrikt door het huilen van een kindje. Peuters konden nog niet geïnstrueerd worden dat ze moesten blijven zitten op de stoep die hun ouder voor hen had uitgezocht. Het gevaar bestond dat ze dan gingen dwalen, met alle gevaren van dien in een stad vol grachten. Zeker deze kinderen werden dan met kloppend hart tot voor het weeshuis gebracht. Iets grotere kinderen werden op de stoep van de koekenbakker naast het weeshuis op de hoek van de Leidsegracht met meerdere tegelijk achtergelaten. Kindjes van 3 jaar of jonger werden nogal eens moederziel alleen aangetroffen in een van de straten rond het weeshuis. Zo werden de zusjes Anna en Jacoba Mout op 29 augustus 1792 gevonden achter het weeshuis in de Lange Leidsedwarsstraat op de trap van een bierkelder. Ze dankten aan die vindplek hun achternaam. Ze waren anderhalf en drie jaar oud. Ze werden in eerste instantie bij verschillende minnen geplaatst, maar na niet al te lange tijd werd Anna naar de min van Jacoba verhuisd. Ze hebben beiden nog nakomelingen in het heden.

Inschrijving broertje Boom 28 maart 1788. Bron SAA.

Een andere plaats dichtbij het weeshuis die veilig was, was de overzijde van de gracht, bijvoorbeeld voor de stal van de heer Woutman, het eerste huis vanaf de Leidsegracht. Daar werden op 28 maart 1788 twee broertjes gevonden van 9½ en 5 jaar. Ze hadden allebei een in een keurig handschrift geschreven briefje meegekregen. Ze waren er slecht aan toe. Dit is een van de weinige keren dat de moeder iets meer zegt ter verklaring van de ellendige toestand van haar kinderen. Ze hebben beiden twee dagen niet gegeten. De oudste, Jan, wordt in het Grootjongenshuis geplaatst. Met de jongste, Antonie, is echter nog meer aan de hand. Hij kan niet praten en kan alleen ‘ja’ en ‘neen’ zeggen. Hij wordt ondergebracht in de Moerbeiengang op de Looiersgracht bij de weduwe Slootman. Dit is Angenietje Swarthof, naar wie de brug over de Prinsengracht in de Leidsegracht is genoemd. Zij was weduwe en kreeg vrijwel altijd kinderen die er slecht aan toe waren. Ze weet hem echter niet meer op te laten knappen. De beide broertjes overlijden tweeënhalve maand later op dezelfde dag.

In het jaar 1792 werd een derde van de kinderen voor of naast het weeshuis gevonden, op een minuut lopen van de Jongenspoort waar de kinderen binnengebracht werden. Een vijfde werd achtergelaten op de Leidsegracht of aan de overzijde van het weeshuis op de Prinsengracht, wat twee minuten lopen was. In totaal werd bijna 70% van de kinderen binnen drie minuten lopen van het weeshuis gevonden. In jaren dat de controle aangescherpt werd, was dat percentage iets lager, maar bleef toch nog hoog. Zeker in de winter als het heel erg koud was en er gevaar voor doodvriezen bestond.

Bewijsstukken

Het meegeven van een soort bewijs waarmee een kind teruggevraagd kon worden is al zo oud als de weg naar Rome. Letterlijk. De bewijzen die de kinderen meekregen, bestonden in de eerste plaats uit briefjes. Soms kreeg een kind een kaartje mee met een woord, bijvoorbeeld een naam, er groot opgeschreven en daarna doorgeknipt. De moeder hield de ene helft als bewijsstuk voor als ze haar kind zou ophalen. Universeel zijn in een hartvorm geknipte kaartjes of stukjes papier. Er stond meestal een tekst op met het verzoek het kind met een bepaalde naam te laten dopen. Een enkele keer gaf de moeder, of de vader, het kind een lintje mee. Zo kreeg Alexander Rouw een klein stukje zwart lint mee. Dat inspireerde tot zijn achternaam.

Inname Alexander Rouw met een zwart lintje

Een ander kind kreeg een VOC-munt aan een lintje mee. Een heel enkele keer werd er geld tussen de kleertjes van een kind gevonden. Het was altijd riskant geld mee te geven. Vinders konden dat in hun eigen zak steken.

Briefje met VOC-munt, meegegeven van een 9 maanden oud meisje zonder verder briefje op12 april 1810. Ze werd Christina Raam genoemd naar haar vindplaats bij de Raamstraat.

Speelkaarten, al dan niet zelf gemaakt, werden ook regelmatig gebruikt om als bewijs te dienen. Natuurlijk waren dat vaak hartenkaarten, maar ook schoppenkaarten.

Helaas is er geen bewijs dat een van die bewijsstukken daadwerkelijk gebruikt is voor het verlangde doel.

Briefjes

Veel moeders konden niet schrijven. Wanneer ze toch een briefje wilden meegeven aan hun kind, bijvoorbeeld met het verzoek het een bepaalde naam te geven, dan konden ze iemand anders vragen dat voor hen te doen. Uiteraard was dat geen optie voor de dienstbodes en andere ongehuwde vrouwen die in het diepste geheim bevielen en hun kind niet konden houden omdat ze dan niet meer konden werken. Ze hadden geen keus en hun kindje werd ‘zonder berigt’ te vondeling gelegd. De bladzijde in het innameboek waar het kindje ingeschreven werd, ziet er in dat geval heel leeg en daardoor ook heel eenzaam uit. Eenzaam, in de eerste plaats voor het kindje, maar ook voor de moeder.

Over het algemeen kreeg 70% van de kinderen een briefje mee, verstopt tussen de kleertjes of de omslagdoeken. Daarvan vroeg ongeveer 20% van de ouders alleen om een bepaalde voornaam. 70% van de ouders vroeg ook om een achternaam.

Soms legden de moeders uit waarom ze tot deze daad over waren gegaan. Armoede is de meest genoemde oorzaak.

Verder lezen?

De ruim 20.000 vondelingen die in Amsterdam rond 1800 werden opgenomen, waren meer dan een indrukwekkend aantal in de registers van het Aalmoezeniersweeshuis. Ieder kind had een moeder, een geschiedenis en een toekomst die op dat moment nog moest beginnen.

In dit eerste deel zagen we hoe en waarom kinderen te vondeling werden gelegd, wie hun moeders waren en hoe de overheid de zorg voor hen organiseerde. Maar de opname in het weeshuis was niet het einde van hun verhaal. Het was juist het begin van een volgende fase. Want welke naam kregen deze kinderen? Hoe groeiden ze op? En wat gebeurde er met hen nadat ze het weeshuis verlieten? In het tweede deel, Een naam en een leven, volg ik deze kinderen verder.

Mijn eigen zoektocht begon met één voorouder die in 1791 te vondeling was gelegd. Die ene vondst leidde uiteindelijk naar duizenden kinderen en naar het boek Vondelingen, waarin hun geschiedenis en hun persoonlijke verhalen samenkomen.

Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg