Het Martenahuis in het testament van Titia Bogarda (1732)
Het Martenahuis in het testament van Titia Bogarda (1732)

Het Martenahuis in het testament van Titia Bogarda (1732)

In 1732 stelde Titia Bogarda, weduwe van Suffridus Westerhuis, haar testament op. Het Martenahuis, waar zij woonde, was voor haar meer dan een woonhuis: het stond voor familiegeschiedenis, maatschappelijke status en de vraag welke betekenis haar leven na haar overlijden zou krijgen.

Bogarda koos ervoor haar nalatenschap in te zetten voor de blijvende zorg voor anderen. Daarmee gaf zij het Martenahuis een nieuwe betekenis. Hoe haar testament daaraan bijdroeg en welke geschiedenis daaruit voortkwam, leest u in dit artikel. In het artikel Het Martenahuis in het testament van Hessel Martena (1517) leest u hoe Martena twee eeuwen eerder zijn testament gebruikte om de continuïteit van zijn familiebezit te waarborgen.

Meer over het Martenahuis en de 2000 jaar aan gebeurtenissen, jaartallen en personen die samen de geschiedenis van Franeker vertellen, leest u in het boek S.P.Q.F.

Titia Bogarde

Van stins naar stadspaleis

Aan het einde van de zeventiende eeuw brak voor het Martenahuis een nieuw hoofdstuk aan. In 1694 kwam de voormalige stins in handen van Suffridus Westerhuis. Daarmee was het voor het eerst in zijn geschiedenis niet langer eigendom van een adellijke familie, maar van een vooraanstaande bestuurder uit de burgerlijke elite. Westerhuis was oorspronkelijk afkomstig uit Leeuwarden en behoorde tot de rijkste en invloedrijkste bestuurders van zijn tijd. Hij bekleedde functies in de Raad ter Admiraliteit in Amsterdam, was lid van de Staten van Friesland en diende ook als burgemeester van Franeker. Net als Hessel Martena gebruikte hij het Martenahuis om zijn maatschappelijke positie zichtbaar te maken, maar de tijd waarin hij leefde vroeg om een andere vorm van representatie.

Rond 1700 liet een representatieve woning zien dat de bewoners behoorden tot de bestuurlijke en culturele elite van de Republiek.

Twee eeuwen eerder was de stins gebouwd om veiligheid, macht en familiegezag uit te stralen. Rond 1700 waren die functies grotendeels verdwenen. Een voornaam huis hoefde geen bescherming meer te bieden tegen politieke rivalen of militaire dreiging. Status werd nu uitgedrukt in cultuur, rijkdom, opleiding en bestuurlijke invloed. Een representatieve woning liet zien dat de bewoners behoorden tot de bestuurlijke en culturele elite van de Republiek.

Westerhuis liet het Martenahuis daarom ingrijpend verbouwen. De oude middeleeuwse muren bleven grotendeels behouden, maar het gebouw kreeg het aanzien van een modern stadspaleis. Aan de Voorstraat verscheen een nieuwe monumentale ingang met een trap. Op de hoofdverdieping, waar zich ooit de ridderzaal van de stins had bevonden, werd een ruime hal met gang aangelegd, met aan weerszijden nieuwe vertrekken die aansloten bij de woonidealen van de achttiende eeuw. Bijzonder indrukwekkend was de grote ontvangstkamer, de huidige Schilderijenzaal. De muren werden bekleed met kostbaar beschilderd behang, dat volgens de nieuwste mode was uitgevoerd als een ‘kamer in het rond’. Geschilderde architectuur en idyllische landschappen vormden samen de illusie van een klassiek paviljoen dat uitkeek over een bijna arcadisch landschap. Dergelijk beschilderd behang was tot dan toe vrijwel uitsluitend te vinden in vorstelijke residenties. Kosten noch moeite werden gespaard om bezoekers te imponeren. Door deze verbouwingen veranderde het Martenahuis van een goed verdedigbare stins in een representatieve stadswoning.

De functie van het gebouw veranderde, maar zijn status bleef behouden en misschien zelfs vergroot. Nog altijd domineerde het huis de Voorstraat en bleef het een zichtbaar symbool van maatschappelijke voornaamheid. Waar Martena's stins had laten zien wie macht bezat, liet het huis van Westerhuis zien wie behoorde tot de bestuurlijke en culturele elite van zijn tijd. Het gebouw bleef zo een plaats waar maatschappelijke positie mee zichtbaar werd gemaakt, alleen sprak het inmiddels een andere taal.

Nalatenschap met impact

In 1731 overleed Suffridus Westerhuis onverwacht op 64-jarige leeftijd in Den Haag, waar hij vermoedelijk voor zijn werk verbleef. Hij liet zijn weduwe, Titia Bogarda, achter als erfgename van een aanzienlijk vermogen én van het verbouwde Martenahuis.

Na het overlijden van haar man liet Titia Bogarda ook haar testament opstellen, wat bestond uit een aantal aanvullingen op het testament dat ze als getrouwd stel al hadden gemaakt. Zoals zoveel vroegmoderne testamenten zat ook in het hare een passende overweging over de vergankelijkheid van het leven: ‘alle menschen geset is te sterven, dog de tijdt en úúre des doods seer onseker is’. Deze woorden herinnerden aan dezelfde menselijke onzekerheid waarmee Hessel Martena ruim twee eeuwen eerder zijn testament was begonnen. Toch kreeg die gedachte bij Bogarda een geheel andere uitwerking.

Westerhuis en Bogarda hadden samen geen kinderen gekregen. Zij moest daarom bepalen wat er met haar omvangrijke vermogen en bezittingen zou gebeuren op het moment dat ze er niet meer zou zijn. Zoals het een welgestelde christelijke vrouw betaamde, reserveerde zij een royale som geld voor de Martinikerk en voor de armen van Franeker. Daarnaast wees zij verschillende familieleden aan als erfgenamen. Haar neef Epeus Wielenga, raadsheer aan het Hof van Friesland, ontving een belangrijk deel van haar nalatenschap. Ook haar nicht Maria Boucamp, afkomstig uit een rijke Franeker koopmansfamilie en inmiddels weduwe van arts en voormalig burgemeester Willem van Ranouw, werd ruim bedacht. Voor de geschiedenis van het Martenahuis was juist deze nicht van groot belang, want zij kreeg uiteindelijk de stins toegewezen, die Bogarda eufemistisch omschreef als ‘mijn bewoonde huijsinge en hovinge te Franeker’.

In haar testament legde zij vast dat een deel van de tuin van het Martenahuis en enkele aangrenzende percelen moesten worden gebruikt voor de bouw van een vrouwengasthuis. 

Met deze bepaling in het testament bleef het Martenahuis in haar familie. Tegelijkertijd gaf Bogarda ook een deel van haar bezit een veel bredere maatschappelijke bestemming. In haar testament legde zij namelijk vast dat een deel van de tuin van het Martenahuis en enkele aangrenzende percelen moesten worden gebruikt voor de bouw van een vrouwengasthuis. Ze liet daarover in haar testament opnemen: ‘voorts begeer ik dat [de diakenen] zullen laten timmeren achttien kamers in de aangekochte hovingen aan de oostkant van de woning, recht achter mijn bewoonde huis gelegen, welke plaats ik daartoe heb aangewezen’. De gekozen locatie was opvallend. Bogarda bezat meer grond in en rond Franeker en had het gasthuis daarom ook heel goed elders kunnen laten bouwen. Juist de plek direct achter het Martenahuis, in de fraai aangelegde tuin, had voor haar kennelijk een bijzondere betekenis. Daardoor ontstond een blijvende ruimtelijke én historische relatie tussen de oude stins en het nieuwe gasthuis.

Blijvende maatschappelijke betekenis

Het Westerhuis Vrouwengasthuis, zoals de stichting later zou gaan heten, was bedoeld voor achttien vrouwen die geheel op zichzelf waren aangewezen: een bijzonder kwetsbare groep in de achttiende-eeuwse samenleving. Rond een groene binnentuin verrezen achttien kleine woningen, bereikbaar via een sierlijk toegangspoortje. Zowel jonge vrouwen als oude dames konden er een onderkomen vinden. Op het toegangspoortje werden niet alleen de familiewapens en namen van de betrokken families Westerhuis, Bogarda en die van de diakenen aangebracht, maar ook een stichtelijk vers dat de bewoonsters blijvend moest herinneren aan degene aan wie zij hun onderkomen te danken hadden:

‘Hoe dierbaar zijt gij niet
O weeuw [weduwe] en maachd [maagd] verplicht
Aan haar die voor u heeft
Dit heerlijk huis gesticht’.

Waar Hessel Martena zijn nalatenschap vooral had verbonden aan familie, geloof en het voortbestaan van zijn geslacht, gaf Titia Bogarda haar bezit een andere betekenis. Zij zorgde ervoor dat een deel van haar vermogen niet alleen binnen de familie bleef, maar blijvend ten goede kwam aan de gemeenschap van Franeker. Daarmee kreeg ook het Martenahuis opnieuw een andere rol. Het bleef een huis van aanzien, maar werd tegelijkertijd verbonden aan een instelling die sindsdien eeuwenlang zorg bood aan kwetsbare vrouwen. Niet langer stond de voortzetting van een familie centraal, maar de blijvende maatschappelijke betekenis van een nalatenschap en de rol die deze stins daarin kon spelen.

Boven de ingang van het Westerhuis Vrouwengasthuis staat het ‘stichtingsverhaal’ ervan weergegeven (Historisch Centrum Franeker).

Maatschappelijk doel

Hoewel Hessel Martena en Titia Bogarda ruim 200 jaar van elkaar leefden, gebruikten zij allebei hun testament om richting te geven aan de toekomst van het Martenahuis. Voor Martena stond het behoud van familiebezit en familienaam centraal. Bogarda koos ervoor haar vermogen en het huis in dienst te stellen van een maatschappelijk doel. Daarmee veranderde niet alleen de bestemming van haar nalatenschap, maar ook de betekenis van het Martenahuis.

Samen laten beide testamenten zien hoe één gebouw door de eeuwen heen verschillende functies en eigenaren kende, terwijl het steeds opnieuw een plaats bleef waar herinnering, status en maatschappelijke betrokkenheid samenkwamen. Juist daardoor vertelt de geschiedenis van het Martenahuis niet alleen het verhaal van een gebouw, maar ook van de mensen die hun nalatenschap eraan verbonden.

Meer lezen over het Martenahuis en Franeker? In S.P.Q.F. komt bijna 2000 jaar stadsgeschiedenis tot leven. Niet alleen gebeurtenissen en jaartallen staan centraal, maar vooral de mensen die Franeker vormgaven: van edelen en hoogleraren tot arbeiders, studenten en buitenstaanders. Samen vertellen zij het verhaal van een stad die altijd groter was dan ze leek.
Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg