Een testament vertelt vaak meer dan alleen de verdeling van bezittingen. Achter juridische bepalingen schuilen persoonlijke verhalen: wat iemand belangrijk vond, hoe iemand herinnerd wilde worden en welke verantwoordelijkheid werd doorgegeven. Zo vertelt een testament niet alleen over de dood, maar ook over het leven ervoor. Dat geldt ook voor het Martenahuis in Franeker, waarvan de geschiedenis nauw verbonden is met de wensen die in een testament werden vastgelegd. Dit artikel vertelt dat bijzondere verhaal.
Tegenwoordig kennen bezoekers het Martenahuis vooral als museum, maar eeuwenlang was deze laatmiddeleeuwse stins de woonplek van rijke en invloedrijke Friezen. Het gebouw was meer dan een comfortabele residentie: het weerspiegelde maatschappelijke status, familiegeschiedenis en de wens om ook na het eigen leven betekenis te houden.
Die betekenis van het Martenahuis komt duidelijk naar voren in twee testamenten die ruim 200 jaar na elkaar werden opgesteld. Het eerste is van Hessel Martena, die in 1517 zijn testament liet opmaken, kort voordat hij op bedevaart naar Jeruzalem vertrok. Zijn verhaal leest u in dit artikel. Het tweede testament werd in 1732 opgesteld door Titia Bogarda, weduwe van Suffridus Westerhuis. Haar verhaal leest u in het artikel Het Martenahuis in het testament van Titia Bogarda (1732) op deze website. Meer over het Martenahuis en de 2000 jaar aan gebeurtenissen, jaartallen en personen die samen de geschiedenis van Franeker vertellen, leest u in het boek S.P.Q.F.
Een einde aan de Friese vrijheid
Om te begrijpen waarom het Martenahuis zo’n belangrijke plaats innam in het testament van Hessel Martena, moeten we terug naar Friesland rond het jaar 1500.
Eeuwenlang had Friesland geen landsheer gekend en lag de macht grotendeels bij plaatselijke hoofdelingen.
Friesland bevond zich in een periode van grote veranderingen: eeuwenlang had het geen landsheer gekend en lag de macht grotendeels bij plaatselijke hoofdelingen: invloedrijke families die hun positie ontleenden aan grondbezit, familiebanden en persoonlijke netwerken. Hoofdelingen vormden in feite een Friese adelstand. Deze zelfstandigheid bracht echter ook grote spanningen met zich mee. De langdurige factiestrijd tussen Schieringers en Vetkopers verdeelde Friesland generaties lang tot op het bot. Buitenlandse machthebbers zagen daarin kansen om hun invloed uit te breiden. Zo steunden de graven van Holland, de stad Groningen en de hertog van Saksen afwisselend de ene of de andere partij, afhankelijk van hun eigen belangen.
In 1498 kwam er een einde aan de Friese Vrijheid. Hertog Albrecht van Saksen werd door keizer Maximiliaan van Habsburg met Friesland beleend en startte een militaire en politieke campagne om het gebied stevig onder controle te krijgen. Dit resulteerde voor het eerst in bijna 500 jaar tijd in een centraal gezag over Friesland, eerst vanuit Franeker, daarna tijdelijk vanuit Harlingen om uiteindelijk het centraal gelegen en goed verdedigbare Leeuwarden als bestuurszetel te kiezen.
Een huis voor een machtig man
Voor veel Friezen betekende dit een verlies van de zo vertrouwde zelfstandigheid. Tegelijkertijd ontstonden er volop nieuwe mogelijkheden voor degenen die bereid waren met het nieuwe gezag samen te werken. De Franeker hoofdeling Hessel Martena behoorde tot deze laatste groep en was een van de vroegste en trouwste bondgenoten van het Saksische bestuur in Friesland. Hij groeide zodoende uit tot een van de belangrijkste bestuurders van Westergo, en later ook van Friesland. Namens de hertog hield hij zich bezig met bestuur, belastinginning en militaire aangelegenheden. Zijn inzet voor het nieuwe gezag bracht hem aanzienlijke rijkdom en invloed. Op het hoogtepunt van zijn carrière behoorde hij dan ook tot de allerrijkste Friezen.
Het Martenahuis was het ultieme visitekaartje van een machtige edelman, die graag benadrukte wie er de baas in Franeker was.
De positie van Martena werd niet alleen zichtbaar in titels, rijkdom en bezittingen, maar ook in het straatbeeld van Franeker. Zoals veel machtige Friese families liet Martena een stins bouwen: een versterkt stenen huis dat bescherming bood en een belangrijke maatschappelijke functie had. In een gebied zonder grote landsheren vormden zulke huizen namelijk zichtbare tekenen van macht. Een stins liet zien wie er invloed had. Rond 1506 verrees aan de Voorstraat in Franeker het Martenahuis. De ligging van de stins was veelzeggend: op korte afstand van het Sjaerda Slot, de residentie van de invloedrijke Franeker familie Sjaerda waarmee Martena via het huwelijk verbonden was. Het gebouw zelf maakte grote indruk. De brede voorgevel met afwisselende lagen rode en gele kloostermoppen, de zware muren en de opvallende traptoren gaven het huis een uitstraling die paste bij de positie van zijn eigenaar. Het Martenahuis was het ultieme visitekaartje van een machtige edelman, die graag benadrukte wie er de baas in Franeker was.
Tegen deze achtergrond krijgt de rol van het Martenahuis in het testament van Martena enkele jaren later bijzondere betekenis. Dit testament ging namelijk niet alleen over de verdeling van het enorme bezit en vermogen van Martena. Het legde ook vast welke verantwoordelijkheden verbonden bleven aan de stins en daarmee aan degenen die het zouden bewonen. Het Martenahuis was voor Martena zo belangrijk, dat het een centrale rol speelde in zijn nalatenschap.
Hessel Martena, afgebeeld door Simon de Vries (Frisius) in 1622 (Rijksmuseum, Amsterdam).
Een testament voor leven én dood
In het voorjaar van 1517 bereidde Hessel Martena zich voor op een reis waarvan hij niet zeker wist of hij zou terugkeren. Zijn bestemming was Jeruzalem, een plaats met voor christenen een bijzondere religieuze betekenis. Een dergelijke reis was een onderneming vol risico’s. Reizen over zee en land duurden maanden en bracht gevaren met zich mee, zoals ziekte, schipbreuk, oorlog en beroving. Wie vertrok, moest serieus rekening houden met de mogelijkheid niet terug te keren. Kort voor zijn vertrek liet Martena daarom op 21 maart 1517 zijn testament opstellen. Zijn bezittingen en verantwoordelijkheden moesten immers goed geregeld zijn voor het geval hij niet zou terugkeren.
Een testament uit de late Middeleeuwen had echter een veel bredere betekenis dan alleen het regelen van de erfenis. Het opstellen ervan was ook een moment waarop werd nagedacht over familie, bezit, geloof en wat er na de dood kwam. In het document kwamen verschillende werelden samen: het aardse bezit, dat zorgvuldig moest worden beheerd, en de geestelijke zorg, voor het zielenheil na het overlijden. Mocht Martena de bedevaart niet overleven, dan bleef zijn gezin in ieder geval goed verzorgd achter. Zijn eventuele schulden moesten netjes worden afgelost door zijn vrouw, zijn ‘lieve wyff’ Both Hottinga (behalve als die bij zijn tegenstanders, waaronder de Groningers, uitstonden). Maar Martena dacht nadrukkelijk ook verder dan alleen zijn directe familie. Ook kerken, kloosters en de armen van Franeker kregen een plaats in zijn testament.
Zorg voor de ziel
Om het testament van Hessel Martena goed te begrijpen, is het nodig terug te gaan naar de religieuze wereld van de late Middeleeuwen waarin hij leefde. De dood werd niet gezien als een abrupt einde, maar als een overgang naar een andere werkelijkheid. Veel mensen geloofden dat de ziel na het overlijden eerst een periode van zuivering kon doormaken voordat zij – als het goed was – de hemel bereikte. Gebeden, missen en goede werken van de levenden konden daarbij helpen. Daarom bevatten deze testamenten vaak bepalingen over religieuze schenkingen, missen, kerkelijke instellingen en liefdadigheid. Ook Hessel Martena liet in zijn testament zien hoe nauw bezit en geloof met elkaar verbonden waren.
Martena's testament laat zien hoe belangrijk het was om ook na de dood te blijven zorgen voor het eigen zielenheil én dat van de naaste familie.
Zo bepaalde Martena dat in de Franeker Martinikerk twee ‘ewige singende’ missen per week moesten worden gehouden. De eerste diende iedere zaterdagmorgen om zes uur gelezen te worden bij het altaar van Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Nood, een zijaltaar in de kerk. De tweede moest iedere maandagmorgen op hetzelfde tijdstip plaatsvinden maar dan bij het altaar van de Drie Koningen in de kapel. Het doel omschreef Martena zelf als: ‘beide missen vor myn, myn wyffs ende beyde myn olders, sampt alle geloevige zielen gedaenn wordenn’. Zijn testament laat daarmee zien hoe belangrijk het was om ook na de dood te blijven zorgen voor het eigen zielenheil én dat van de naaste familie.
Armenzorg als blijvende opdracht
Voor hedendaagse lezers lijken religieuze verplichtingen en armenzorg misschien twee verschillende onderwerpen, maar in de wereld waarin Martena leefde waren zij nauw met elkaar verbonden. Het helpen van armen gold als een christelijke plicht én als een daad die bijdroeg aan het zielenheil van de schenker. Ook daarvoor nam Martena zeer concrete bepalingen op in zijn testament. Hij wilde dat tot in ‘ewigenn tydenn’ op zijn uiteindelijke sterfdag brood, boter, laken en andere benodigdheden onder de armen van Franeker werden uitgedeeld. Daarnaast moest jaarlijks zes florenen onder hen worden verdeeld, een aanzienlijk bedrag in die tijd.
Het testament laat daarmee een mooie combinatie zien van liturgische verplichtingen voor het eigen zielenheil en liefdadigheid voor de minderbedeelden van de stad. In een samenleving waarin een groot deel van de bevolking structureel in armoede leefde en afhankelijk was van alle hulp die ze kon krijgen, werd dergelijke vrijgevigheid natuurlijk zeer gewaardeerd. Martena stond hierin overigens niet alleen: testamenten als deze kwamen veel vaker voor onder de Friese elite. Zo liet de steenrijke Edwer Sjaerda, de weduwe van Douwe Sjaerda en dochter van de machtige Franeker edelman Sicke Sjaerda, enkele jaren daarvoor, in 1510, een testament opstellen waarin vergelijkbare religieuze en liefdadige verplichtingen waren opgenomen.
Stins met verplichtingen
Martena droeg zijn bezittingen niet eenvoudigweg over aan erfgenamen, maar verbond aan die overdracht duidelijke voorwaarden. Wie het bezit kreeg, erfde niet alleen de lusten, maar ook de lasten. Centraal stond daarbij het Martenahuis, zijn imposante stins en het bestuurlijke middelpunt van zijn bezittingen. In zijn testament maakte Martena direct duidelijk wie verantwoordelijk zou zijn voor de uitvoering van alle bepalingen die hij erin had laten opnemen. Opvallend daarbij is dat hij bepaalde dat zowel de eeuwigdurende missen in de Martinikerk als de jaarlijkse uitdelingen aan de armen moesten worden bekostigd door degene ‘die myn huiss besittenn off toebehoernn sal’. Ook de praktische uitvoering legde hij neer bij degene ‘die up myn huiss woent hir inn Franicker’. Daar voegde hij trouwens nog wel een belangrijke voorwaarde aan toe: de bewoner van het Martenahuis die deze bepalingen moest uitvoeren, diende ‘vann myn geschlacht’ te zijn.
De financiering van al deze bepalingen – waaronder ook de vele schenkingen aan kerken en kloosters – moest plaatsvinden uit de opbrengsten van zijn vele boerderijen en landerijen in Friesland. Dat was een veilige keuze, want Hessel Martena behoorde op dat moment tot de rijkste edelen van Friesland; hij stond op het hoogtepunt van zijn macht. Mogelijk ging hij ervan uit dat de positie van zijn familie alleen maar verder zou groeien, zodat het Martenahuis en de eraan verbonden verplichtingen generaties lang in handen van zijn nazaten zouden blijven. En misschien zag hij zelfs wel het begin voor zich van een nieuwe Franeker dynastie, vergelijkbaar met die van de machtige familie Sjaerda. Het Martenahuis kreeg daarmee een betekenis die veel verder ging dan alleen huisvesting. Iedere toekomstige bewoner werd onderdeel van een groter verhaal, het verhaal van Martena en zijn trotse stins. Het huis werd niet alleen een plaats waar werd gewoond, maar ook eentje waar herinnering, verantwoordelijkheid en familie-eer werden doorgegeven, met behulp van dat testament uit 1517.
Bezit had in de zestiende eeuw niet alleen een economische waarde, maar ook een sociale, morele en geestelijke betekenis.
Het testament van Hessel Martena laat zien dat een nalatenschap in de vroege zestiende eeuw veel meer kon omvatten dan materieel bezit alleen. Zijn huis, zijn landerijen en zijn religieuze verplichtingen vormden samen één geheel. Bezit had niet alleen een economische waarde, maar ook een sociale, morele en geestelijke betekenis. De erfgenamen van Martena ontvingen daarom niet uitsluitend een huis en landerijen. Zij erfden eveneens de verantwoordelijkheid om missen te laten lezen, armen te ondersteunen en daarmee de herinnering aan de stichter van de stins en zijn familie levend te houden.
Overigens bleek het opstellen van het testament geen overbodige voorzorgsmaatregel. Hessel Martena keerde nooit terug van zijn bedevaart naar Jeruzalem. Volgens het later opgestelde reisverslag Peregrinatio in terram Sanctam was Martena ‘op dese reyse gestorven int wederkeren, opt eylandt Rhodos, ende daer begraven’. Gelukkig had hij zijn zaakjes toen al goed op orde.
De stins van Hessel Martena aan de Voorstraat, hier nog als gemeentehuis van Franekeradeel in 1946 en voor de grote restauratie in de jaren 70 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, documentnummer 24.471).
Onderdeel van de familie-erfenis
Voor Martena was het Martenahuis - waarvoor hij zelf de opdracht had gegeven om te laten bouwen – logischerwijs onderdeel van de familie-erfenis; eentje waarin bezit, geloof en herinnering expliciet met elkaar verweven waren. Titia Bogarda gaf ditzelfde gebouw ruim twee eeuwen later een andere betekenis: haar bezit van het Martenahuis werd een manier om zorg voor anderen mogelijk te maken én daar ook om herinnerd te worden, tot op de dag van vandaag. Lees hierover in het artikel Het Martenahuis in het testament van Titia Bogarda (1732) op deze website.
Samen vertellen de twee testamenten het verhaal van een gebouw dat verschillende tijdperken doorliep. De functie van het gebouw veranderde, haar bewoners veranderden maar het Martenahuis bleef steeds een prominente plaats in Franeker waar mensen graag hun persoonlijke verhaal aan verbonden, ook na hun dood.
Meer lezen over het Martenahuis en Franeker? In
S.P.Q.F. komt bijna tweeduizend jaar stadsgeschiedenis tot leven. Niet alleen gebeurtenissen en jaartallen staan centraal, maar vooral de mensen die Franeker vormgaven: van edelen en hoogleraren tot arbeiders, studenten en buitenstaanders. Samen vertellen zij het verhaal van een stad die altijd groter was dan ze leek.