Tot de pronkstukken van de Sint-Janskerk in Gouda behoorde een zilveren beeld van Johannes de Doper. Na de verwoestende stadsbrand van 1552 werd het beeld echter omgesmolten om geld vrij te maken voor het herstel van de kerk. Het voorval illustreert een opvallende conclusie uit 'Een kerk voor heel de stad': ondanks haar indrukwekkende omvang en rijke kunstbezit was de Sint-Jan financieel allesbehalve welvarend. Hoe werd de grootste parochiekerk van Holland gefinancierd, welke rol speelden gilden en schenkingen, en wat zegt dat over het religieuze leven in laatmiddeleeuws Gouda?
Over ‘de Kerk’ wordt nogal eens beweerd dat zij enorm rijk moet zijn geweest. Een hint naar de schatten, bijeengebracht in het Vaticaan, onderstreept dat vermoeden. Of dat in het algemeen zo was, moet hier in het midden blijven, maar over de Goudse Sint-Jan in de vijftiende en zestiende eeuw – de enige parochiekerk van de stad – geeft Een kerk voor heel de stad uitsluitsel: de kerk was arm.
Hoe kwam de Sint-Janskerk aan haar inkomsten?
Het eerste dat opvalt is dat de Sint-Jan nauwelijks inkomsten genoot uit landbezit. Een verklaring daarvoor is misschien te vinden in de voorafgaande geschiedenis van de kerk. In de veertiende eeuw behoorde Gouda tot het gebied van de graven van Blois. Maar die beschouwden Schoonhoven als hun hoofdstad en stichtten in de Sint-Jan dus geen kapittel (een college van hoge geestelijken met eigen vast inkomen). Voor de financiering kwamen uitsluitend de parochianen zelf op. Nu was Gouda wel een grote industriestad met honderden bierbrouwerijen, maar tot de vorming van een kapitaalkrachtige bovenlaag is het er nooit gekomen.
De parochianen moesten de kosten voor de kerk dus helemaal zelf dragen.
De parochianen moesten de kosten voor de kerk dus helemaal zelf dragen. Dat deden ze hoofzakelijk via renten en tarieven. Tot de ‘vaste’ inkomsten van de kerk behoorde een pakket van honderden kleine rentes op huizen in de stad. Ze waren ooit door stadgenoten aan de kerk geschonken, bijvoorbeeld in ruil voor zielmissen, en moesten nu jaarlijks door de bewoners worden opgebracht. ‘Vast’ is in dit geval maar betrekkelijk, want de rentebedragen waren niet geïndexeerd en verloren dus als door de heersende inflatie geleidelijk hun waarde. Tarieven betaalden de Gouwenaars aan de kerk voor alles wat bij een begrafenis kwam kijken; de Sint-Jan was de enige begraafplaats van belang in de stad. Ook zij waren niet waardevast. Er kwamen ook bedragen binnen via collectes, die met name met Pasen en Kerst aardig wat opbrachten. Op hun sterfbed werden de parochianen door de kapelaans herinnerd aan de Sint-Jan, maar de bedragen die via testamenten binnenkwamen waren niet indrukwekkend.
De bouw van een enorme kerk met beperkte middelen
Alles bij elkaar beschikten de kerkmeesters niet over een groot inkomen. Voor de jaren 1483-1487 kon het worden berekend op 135 Vlaamse pond per jaar. Ter vergelijking: de Onze Lieve Vrouwekerk van Antwerpen (nog een stuk groter dan de Sint-Jan, maar vooral: een kapittelkerk) beschikte over ruim het achtvoudige. Bouwkosten die uitgingen boven normaal onderhoud konden hiervan niet worden betaald. In 1475 startte een bouwcampagne die aan de kerk zijn huidige enorme omvang schonk. Eenmalig subsidieerde het stadsbestuur de kerk toen met het zesde deel van de jaaropbrengst van de binnen de stad geheven bieraccijns. Dit was evenveel als de totale jaaromzet van de kerkmeesters; ook bij het budget van de stad zonk dat van de kerkmeesters dus in het niet. De stad kon het overigens toen wel hebben: Gouda was op het toppunt van zijn economische bloei en de bevolkingsomvang was navenant, misschien boven de 10.000.
Gilden, vicarieën en andere geldstromen
Een van de motieven om de kerk zo groot te maken zal zijn geweest plaats te bieden aan de altaren van tientallen gilden en broederschappen. Die hadden hun eigen inkomsten (en uitgaven). Willen we een totaalbeeld krijgen van wat er in de Sint-Jan omging, moeten we niet alleen kijken naar de rekeningen en andere financiële stukken van de kerkmeesters (de ‘kerkfabriek’), maar ook proberen de omzet van de gilden te becijferen. Daarvoor beschikken we over enkele harde gegevens, maar om een goed overzicht te krijgen moest een financieel ‘model’ worden gebouwd voor het aandeel van alle ‘aanvullende fondsen’ in de kerk. Daartoe behoren ook de vicarieën en officies, particuliere stichtingen om priesters aan te stellen voor de bediening van een altaar. Hun aantal was trouwens in de Sint-Jan niet groot, wat wel zal komen door het feit dat er in Gouda nauwelijks adel woonde en de bedrijfjes van de bierbrouwers maar klein waren. Andere speciale fondsen waren de Zeven Getijden (voor de meerstemmige zang in de kerk), de kosterie en vooral de pastorie (de koster en de pastoor werden dus niet door de kerkmeesters betaald). De twee laatstgenoemde fondsen werden weer voor grotendeels gevuld door tarieven die de parochianen betaalden voor kerkelijke handelingen zoals doop, huwelijk en paascommunie. Tellen we al deze fondsen mee, dan komen we voor de hele jaaromzet in de Sint-Jan uit op meer dan het dubbele van alleen de kerkfabriek.
De verbrande kerk, detail van de maquette van Gouda in het Museum Gouda. Foto: MG.
De glazen van de Sint-Jan en de bijdrage van donoren
Voor de herbouw na de brand van 1552 moesten natuurlijk financiële noodmaatregelen worden getroffen. Daarop wordt hier niet ingegaan. Maar het is nog wel aardig iets te zeggen over de bijdrage van de donoren van de glazen waaraan de Sint-Janskerk haar internationale bekendheid dankt; dat waren hooggeplaatsten van buiten de stad. De prijs van de glazen was bij elkaar goed voor zo’n 13% van de totale bouwkosten. Een van de duurste glazen was dat van Margaretha van Parma: 422 gulden. Stellen we het jaarloon van een ambachtsman – uitgaande van 250 gewerkte dagen per jaar – op vijftig gulden, dan kostte dit glas dus achtenhalf jaarlonen. Trouwens, het Sint-Jansbeeld van het begin van dit artikel bracht omgerekend ongeveer vier jaarlonen op.
Hoewel de Sint-Jan niet rijk was, is het bezit aan kunstschatten wel veel omvangrijker geweest dan wat nu is bewaard.
Meer dan financiën: kunst, altaren en priesters
Natuurlijk gaat het in dit boek niet alleen over de financiën van de Sint-Janskerk. In veertien hoofdstukken wordt een zo veelzijdig mogelijk beeld van het leven in de Sint-Jansparochie gegeven. Veel bijzonderheden kennen we overigens juist dankzij de rekeningen. De aanleiding om aan deze studie te beginnen was de tentoonstelling 'Beleef het wonder van Gouda', waarmee in 2022 het 750-jarig bestaan van de stad werd gevierd. Terwijl het Museum Gouda een keuze uit de cartons (ontwerptekeningen bij de glazen, schaal 1:1) toonde, werden de vijf altaarstukken van dat Museum opgesteld in de kerk, de plek waar ze oorspronkelijk thuis hoorden. Hoewel, zoals gezegd, de Sint-Jan niet rijk was, is het bezit aan kunstschatten wel veel omvangrijker geweest dan wat nu is bewaard. Het boek bevat een reconstructie van dat kunstpatrimonium. Op de Jacobakelk na heeft het zilverwerk van de kerk de eeuwen niet getrotseerd. Het werd in 1572, toen Gouda zich bij de Opstand aansloot, naar de Munt gebracht als financiële bijdrage aan de defensie tegen ‘Spanje’.
Jacobakelk en -pateen. Museum Gouda inv. 30467. Foto: MG.
Het religieuze leven in de grootste parochie van Gouda
Van ruim vijftig altaren van gilden, broederschappen en vicarieën kon het bestaan worden vastgesteld, het hoogst bekende aantal van een kerk in Nederland. Samen met de parochiële liturgie aan het hoogaltaar vormden de vele diensten aan de zijaltaren een complex programma. Het was een van de taken van de pastoor erop toe te zien dat de vieringen elkaar niet in de weg zaten. Bij hem berustte ook de leiding over het priesterlijk personeel van de kerk. Voor de zielzorg (de prediking en de bediening van de sacramenten) had hij assistentie van enkele kapelaans, maar zijn gezag gold ook de vicarissen en andere altaarpriesters. Hun aantal was met ruim veertig opvallend laag voor zo’n grote kerk (de Oude en de Nieuwe Kerk in Delft hadden er veel meer), wat weer zal samenhangen met het geringe financiële draagvlak voor vicariestichtingen. Toch kon – over heel de beschreven periode – van enkele honderden priesters de identiteit worden vastgesteld. Op basis van deze gegevens schetst het boek een groepsportret van de Goudse priesterschap. Hoewel sommige priesters in goeden doen waren, zoals Gijsbert Raet, de stichter van de Jeruzalemkapel, gold voor de meesten dat ze moesten sappelen om in hun levensonderhoud te voorzien. Die omstandigheid, samen met het feit dat veel priesters aantoonbaar uit de stad zelf afkomstig waren, zal wel verklaren waarom er van aversie tegen de clerus in Gouda weinig te merken valt.
Van katholieke stad naar Reformatie
Een uitvoerig hoofdstuk is gewijd aan de veranderingen in de toonzetting van het religieuze leven in en om de Sint-Jan gedurende de bestudeerde periode. Gouda sloot zich al in 1572 aan bij de Opstand, overigens niet in de eerste plaats om religieuze redenen maar vanwege de belastingmaatregelen van de hertog van Alva. Een jaar later werd de Reformatie in de Sint-Jan doorgevoerd. Tot die tijd was de stad katholiek gebleven. De verering van het Sacrament (de eucharistie) op katholieke wijze was er tot aan de Opstand opvallend levendig. Het aantal protestanten was gering. Overigens kon de kettervervolging door het regiem van Philips II ook in Gouda op weinig sympathie rekenen. Het beleid van het stadsbestuur was erop gericht alleen in hoognodige gevallen – bij ordeverstoring – tot bestraffing over te gaan.. De stad stond al voor 1572 op goede voet met Willem van Oranje, die voor de gewetensvrijheid opkwam.
Voorafgaand aan de grote Reformatie had zich al een ingrijpende verandering in religieuze mentaliteit voltrokken.
Geen conservatief geloof, maar vernieuwd katholicisme
Een kerk voor heel de stad neemt scherp stelling tegen de conclusie dat Gouda in de zestiende eeuw in religieus opzicht conservatief was. Voorafgaand aan de grote Reformatie had zich al aan het begin van de zestiende eeuw een ingrijpende verandering in religieuze mentaliteit voltrokken. Was de vrome aandacht in de laatmiddeleeuwse periode gespreid geweest over een toenemend aantal te vereren heiligen en te betrachten devoties – vandaar dat grote aantal altaren – nu kwam de focus helemaal te liggen op de Christus zoals Hij in de Bijbel wordt getekend. Het beeldprogram van de glazen – het leven van Johannes de Doper als de voorloper van Christus – sluit daarbij aan. Een ‘dageraad van de Reformatie’ tekende zich voor 1572 nog niet af. In plaats daarvan mogen we spreken van een vernieuwd katholicisme.
Samengevat laat Een kerk voor heel de stad zien dat de Sint-Janskerk in Gouda weliswaar de grootste parochiekerk van Holland was, maar financieel afhankelijk bleef van parochianen, gilden en incidentele schenkingen. Juist die combinatie van beperkte middelen, rijke kunst en een levendig religieus leven maakt de geschiedenis van de kerk bijzonder.