Wat drijft een advocaat ertoe zich decennialang bezig te houden met literatuuronderzoek, en dan vrijwel uitsluitend met 'Max Havelaar', het pamflet van Multatuli uit 1860? Hoe vaak is dit mij niet al gevraagd?
Het makkelijke antwoord is: nieuwsgierigheid. Het moeilijke: aan alles twijfelen. Het is een professionele houding. Iets tot de bodem willen uitzoeken. Alles nagaan, niets aannemen, het ‘anna-beginsel’. Toegepast op een zaak die ik naast mijn praktijk tot de mijne heb gemaakt: de zaak van Lebak.
De Havelaar-zaak
Het gaat mij niet alleen om de schoonheid van Multatuli's werk, maar om de grootsheid van de schrijversfiguur, het drama van zijn leven, het besef dat iedereen de auteur van zijn eigen geluk of ongeluk is, de strijd tussen goed en kwaad, en het zoeken naar de waarheid. Dat en nog véél meer komt voor mij samen in wat men ook de Havelaar-zaak noemt, waarin het waarheidsgehalte van het pamflet wordt onderzocht of de eeuwige strijd tussen feit en verzinsel, Wahrheit und Dichtung.
Als advocaat sta ik midden in het heden, als schrijver ‘leef ik’ in het verleden. Maar het zoeken naar de waarheid staat altijd centraal. Wie handelt of iets nalaat in het heden, doet dat – of juist niet – op basis van wat voorafgaat. De context is allesbepalend. In de praktijk wordt ik hier altijd weer mee geconfronteerd. Vaststellen wat de feiten en omstandigheden zijn die van doorslaggevende betekenis zijn, is niet eenvoudig. Daarbij komt dat iedereen in zijn eigen werkelijkheid leeft. Zo gold dat ook voor de ambtenaar Eduard Douwes Dekker.
Eduard Douwes Dekker in 1854, tijdens zijn Europees verlof.
Fascinatie voor de mythe van Lebak
Werkelijk geïnteresseerd in wat hem in Lebak was overkomen raakte ik pas na lezing van De man van Lebak (1937) van Eddy du Perron. Ik was een jong advocaat, pas net begonnen in Amsterdam. Ik was al gauw gefascineerd door wat Rob Nieuwenhuys de 'mythe' van Lebak noemde, dat ook de titel is van een boekje dat hij publiceerde in 1987. Ik begreep niet waar de verbetenheid vandaan kwam waarmee hij strijd leverde met Willem Frederik Hermans als het aankwam op Multatuli.
In mijn vrije tijd, begon ik aan een onderzoek naar de rechtshistorische achtergronden (de context) van de zaak Lebak. Ik kwam in contact met de cultuurwetenschapper Hans van den Bergh. Ik liet hem mijn eerste vondsten lezen. Hij riep uit: ‘Dat moet gepubliceerd worden!’ Met enige regelmaat dook ik de archieven in, meestal op een vrijdagnamiddag.
Afleiding voor de geest
Mijn praktijk ondertussen was (en is nog tot de dag van vandaag) veeleisend. Max Havelaar gaf mij een uitzicht op iets geheel anders. Het onderzoek in deze zaak was uniek, in die zin dat niemand erdoor geholpen werd, er geen termijnen golden, en het resultaat er ook niet toe deed. Zo werd het benaderen van de waarheid in Dekkers strijd afleiding voor de geest. Ik kon het onderhanden werk, het laatste advies, die te sluiten huur- of koopovereenkomst, of die zitting die er aan zat te komen, even vergeten.
Cees Fasseur, jurist en historicus, vroeg of ik niet bijgemengd wilde promoveren. Ik had destijds nooit kunnen vermoeden dat ik een trilogie zou schrijven over Max Havelaar, en daarnaast een boek over de culturele betrekkingen rond 1970 tussen Nederland en Indonesië door de ogen van Rob Nieuwenhuys. Daar kwamen op een gegeven moment ook artikelen en literaire columns bij over koloniale geschiedenis, en over mijn jeugd in verdwenen woorden.
Begrijpen en uitleg geven
Hans van den Bergh en Cees Fasseur stimuleerden mij in mijn onderzoek en na hun overlijden heeft Dik van der Meulen mij daarin gesteund het werk in hun geest voort te zetten. Het doel: eerst willen begrijpen wat er zich in werkelijkheid heeft afgespeeld in Lebak, en daarna de uitleg geven die de geschiedenis vereist en die Dekkers strijd voor de waarheid verdient.
Toms werk lezen?
Meer lezen over Tom Phijffers literaire studie over Max Havelaar?
Bij uitgeverij Bas Lubberhuizen verscheen in 2000
Het gelijk van Multatuli van zijn hand. Uitgeverij Verloren bracht in 2021
Vuur, vuur!, over het leven van Edouard Carolus, meneer Slotering in Multatuli’s Max Havelaar, en zijn mysterieuze dood eind 1855. In 2024 verscheen
Goena goena in Lebak. Dit boek vertelt het verhaal van Mijntje Carolus, de weduwe Slotering, het tragische lot dat haar trof en hoe dat verweven is met dat van Eduard Douwes Dekker/Max Havelaar.
Samen vormen deze drie boeken één samenhangende literaire studie over Max Havelaar. Bij Uitgeverij Verloren verscheen ook
Het masker van Rob Nieuwenhuys, over de culturele betrekkingen rond 1970 tussen Nederland en Indonesië door de ogen van Rob Nieuwenhuys.