Over de aanleg van dijken, inpolderingen, droogleggingen en kanalen is veel geschreven. Over de mannen die dit zware grondwerk uitvoerden, is veel minder bekend. Wie waren de polderjongens? Hoe leefden en werkten zij, waarom kwamen ze in verzet en hoe verdween hun beroep uiteindelijk? Historisch onderzoek laat zien dat het beeld dat van hen is overgeleverd lang niet altijd klopt.
Op 1 november 1876 opende koning Willem III officieel het Noordzeekanaal. In 2026 is dat 150 jaar geleden. De herdenking is een aanleiding om opnieuw aandacht te besteden aan de mannen die het kanaal groeven. In mijn boek Daar is een polderjongen doodgeschoten onderzoek ik hun werk, hun leefomstandigheden en hun strijd om rechtvaardigheid. Want zonder de polderjongens zou vooral het westen van Nederland er heel anders hebben uitgezien. Misschien had het zelfs niet eens bestaan.
Waarom is er zo weinig over de polderjongens geschreven?
Er werd nauwelijks over polderjongens geschreven, tenzij ze als groep in aanraking kwamen met de autoriteiten. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij dreigende of daadwerkelijke stakingen, onrust en oproer. Soms moest de situatie zo ernstig worden dat de marechaussee, dragonders en zelfs infanterie werden ingezet.
Waarom er zo weinig aandacht voor hen was, blijft gissen. Ik denk dat het waarschijnlijk vooral een kwestie was van gebrek aan belangstelling voor werk dat zich buiten het zicht van de meeste mensen voltrok. Dijken, droogleggingen en inpolderingen vonden immers vaak plaats in weinig of niet bewoonde gebieden. Er moest iets dramatisch gebeuren voordat men er notitie van nam.
Juist de grote stakingen bij infrastructurele grondwerken bieden daarom een ingang om meer over de polderjongens te weten te komen. Via de verslagen van die gebeurtenissen kom je verder, bijvoorbeeld bij proces-verbalen, gemeentelijke notulen en correspondentie tussen burgemeesters, hogere ambtenaren, legercommandanten en andere betrokkenen.
Op zoek naar de polderjongens in de archieven
Ik ben meer dan vijftig jaar geleden met dit onderzoek begonnen. In die tijd moest ik zelf naar talloze archieven om de bronnen te raadplegen. Ik bezocht onder meer het Provinciaal Archief van Noord-Holland in Haarlem, het stadsarchief van Amsterdam, gemeentearchieven langs het aan te leggen Noordzeekanaal en het militair archief in Schaarsbergen.
Toen ik het onderzoek later weer oppakte, had de digitalisering inmiddels toegeslagen. Ik kon daardoor ook online bronnen van lokale historische verenigingen en studies naar grote infrastructurele projecten raadplegen. Toch bleek er over de polderjongens en de aanleg van het Noordzeekanaal nauwelijks nieuwe informatie te vinden. Ook over polderjongens bij andere grote grondprojecten was weinig meer bekend.
De meeste informatie over het dagelijkse leven van de polderjongens, hun gemeenschap en hun werk vond ik in proces-verbalen over overtredingen en misdrijven die zij mogelijk hadden begaan.
De meeste informatie over hun dagelijkse leven, hun gemeenschap en hun werk vond ik in proces-verbalen over overtredingen en misdrijven die zij mogelijk hadden begaan. Ook verhoren naar aanleiding van stakingen en oproer leverden veel op. Daarnaast waren brieven tussen burgemeesters over de vraag welke gemeente moest opdraaien voor de ondersteuning van een polderjongen of zijn gezin bijzonder waardevol. Daar kwam ik nog het dichtst bij de polderjongens zelf.
Ook de verslagen van ingenieurs waren belangrijk. Zij hadden jarenlang met deze beroepsgroep te maken gehad, maar beschreven de polderjongens vanuit een heel andere cultuur: die van de goed gesitueerde hogere middenklasse. Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen, moest ik verschillende soorten bronnen naast elkaar leggen.
Geen bendes dieven en rabauwen
Een van de belangrijkste uitkomsten van mijn onderzoek is dat mijn aanvankelijke twijfels over het gangbare beeld van de polderjongens terecht bleken. Het waren geen bendes dieven en rabauwen, snel met het mes, met losse handjes en meestal beschonken. Drank speelde wel een belangrijke rol. Het was hun enige vertier en dat liep weleens uit de hand.
Een van de belangrijkste uitkomsten van mijn onderzoek is dat mijn aanvankelijke twijfels over het gangbare beeld van de polderjongens terecht bleken.
Maar het beeld van gewelddadige roversbendes klopt niet met wat ik in de bronnen aantrof. Wat de lokale bevolking zonder mankeren ‘plunderingen door roversbendes’ noemde, betrof in feite vaak door armoede en honger gedreven bedelende groepjes vrouwen en kinderen. Poldervolk stal soms wat aardappels, een kip of een plank van een schutting of bruggetje om als brandstof te gebruiken.
Uit de proces-verbalen die tijdens de aanleg van het Noordzeekanaal werden opgemaakt, blijkt hoe weinig overtredingen die met armoede en honger samenhingen er eigenlijk waren, gezien de ellendige omstandigheden waarin de polderwerkers tijdens perioden van werkloosheid terechtkwamen. De meeste van zulke overtredingen vonden plaats in de winter, wanneer er minder of geen werk was en dus ook geen inkomsten.
‘Plunderen’ is van een heel andere orde. In de proces-verbalen ben ik geen gevallen tegengekomen van plunderingen in de zin van gewelddadige berovingen, inbraken waarbij woningen werden vernield en leeggehaald, verkrachtingen en dergelijke misdrijven.
Armoede, bestaanszekerheid en rechtvaardigheid
Het poldervolk beschouwde het stelen van kippen, aardappelen en planken in tijden van toegenomen armoede en honger niet als misdrijven. Hun gevoel voor rechtvaardigheid bepaalde dat zij recht hadden op een bepaalde levensstandaard. Kregen ze die niet, dan eisten of pakten ze die.
Waar burgers ondersteuning van armen zagen als liefdadigheid, meende het poldervolk er recht op te hebben. Het was volgens hen een morele verplichting van de heersers, de bazen en de welgestelden. Bij het Noordzeekanaal was dat gevoel mogelijk nog sterker, omdat de aannemers niet eens voor keten en brandstof zorgden, hoewel dat wel de norm was.
Ook de polderjongens zelf waren niet altijd de ongeletterde arbeiders die men zich misschien voorstelt. Met name de putbazen bleken vaker te kunnen lezen en schrijven. Ze waren voldoende bij de tijd om zelfs rechtszaken te voeren.
Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik bovendien dat hun stakingen en verzet tegen bazen en werkomstandigheden minstens zo veel, zo niet meer, te maken hadden met een moreel gevoel van rechtvaardigheid als met puur materiële redenen. Dat sluit aan bij wat uit studies naar broodrellen, oproeren en volksopstanden in Holland, Frankrijk en Engeland in de zeventiende tot en met de negentiende eeuw naar voren komt. Ook bij andere groepen van wie de bestaanszekerheid onder druk stond speelde dat gevoel van rechtvaardigheid een rol, zoals bij de gekolonialiseerde kleine boeren in Zuidoost Azie.
De gravers van het Noordzeekanaal: zwaar werk en onvrede
Het werk van de polderjongens bestond uit het graven van grond en het verplaatsen ervan. Het was zwaar werk: ze werkten minimaal elf uur per dag, vaak eerder veertien uur. Het was geen geschoold werk, maar arbeiders die er niet aan gewend waren, konden het niet zomaar volhouden. Dat maakte de polderjongens tot een herkenbare beroepsgroep en versterkte de toch al redelijk hechte gemeenschap.
Het werk van de polderjongens bestond uit het graven van grond en het verplaatsen ervan. Het was zwaar werk: ze werkten minimaal elf uur per dag, vaak eerder veertien uur.
Ze woonden in keten van hout en stro, met een hele ploeg of met hun gezin. Die keten waren vaak veel te klein voor het aantal bewoners en de omstandigheden waren onhygiënisch, nat en modderig. Er waren beestjes en de leefomstandigheden waren ellendig. De gewoonte, en in de loop van de negentiende eeuw ook de wet, bepaalde dat aannemers of opdrachtgevers voor huisvesting en brandstof moesten zorgen. Dat gebeurde niet altijd.
De stakingen bij het Noordzeekanaal draaiden onder meer om de manier waarop het werk werd opgemeten. Wanneer een gegraven put klaar was en er een paar dagen werd gewacht met opmeten, konden zand, grond en modder weer in de kuil zakken. Daardoor leek het alsof er minder was gegraven en kregen de arbeiders minder betaald. Dat kon wel de helft zijn van wat was afgesproken. Wat ook steeds meespeelde was dat de Engelse aannemers niet voor huisvesting en brandstof zorgden, zoals de norm in Nederland was.
Ook de manier waarop sommige onderbazen en bazen de polderjongens behandelden, speelde een rol. Ze werden neerbuigend en arrogant behandeld en er werd soms met de uitbetaling gesjoemeld. Bij het Noordzeekanaal was er een onderbaas, Cornelissen, bijgenaamd ‘Piet de Jood’, die vanaf het begin het bloed onder de nagels van de polderjongens wist te halen. Daar kwam bij dat de vertegenwoordiger van de aannemers een zelfingenomen, strikte, autoritaire en arrogante Engelsman was, die continu onenigheid had met de ingenieurs van de kanaalmaatschappij en met de lokale autoriteiten, die vierkant achter zijn onderbaas bleef staan.
Hoe het op een bepaalde septemberdag precies uit de hand liep, laat ik hier buiten beschouwing. Dat zou een spannend deel van het boek verklappen. Wel kan ik zeggen dat de Engelsen zo arrogant waren dat zij zelfs meenden boven de Nederlandse wet te staan.
Hoe het polderwerkersberoep verdween
Een tweede belangrijke ontdekking was dat de verdwijning van het polderwerkersberoep samenhing met de overgang van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme. Bij de aanleg van het Noordzeekanaal is dat bijzonder duidelijk te zien.
De kern van het beroep was de organisatie in ploegen met een informele, zelfgekozen leider: de putbaas. Die nam namens de ploeg een hoeveelheid grondwerk aan. Deze organisatievorm had zich in de loop der eeuwen ontwikkeld als een geschikte manier om grootschalige openbare werken uit te voeren.
Tijdens de aanleg van het Noordzeekanaal verving stoomkracht echter steeds meer de kracht van mensen en paarden. Mechanisering maakte menselijke spierkracht nog niet overbodig, maar veranderde wel de manier waarop die werd ingezet. Daardoor veranderde ook de organisatie van de arbeid ingrijpend. Polderwerkers die met het ploeg-putsysteem nog enige controle over hun arbeid hadden, werden losse, van machines afhankelijke dagloners.
Bovendien maakte stoomkracht het werk minder afhankelijk van de natuur. Er kon ’s nachts worden doorgewerkt, in de winter en soms zelfs bij noodweer. De aannemers kwamen uit Engeland, de bakermat van de industriële revolutie. Zij brachten kennis, ervaring en een denkwijze mee waardoor de mechanisering bij de aanleg van het Noordzeekanaal sneller werd ingevoerd dan anders te verwachten was geweest.
Na het stilleggen van het werk door de aannemers, rond medio 1868, vanwege financiële en organisatorische problemen bij de Kanaalmaatschappij, was er door de invoering van stoomkracht, mechanisering en andere vormen van arbeidsorganisatie nauwelijks nog sprake van polderwerkers zoals ik die heb gedefinieerd. Ploegen trokken weg om elders werk te zoeken bij grote grondprojecten.
De polderjongens verdienen een beter lot dan vergetelheid
Zonder dijken waren er geen inpolderingen en droogleggingen geweest. De zee had zijn gang kunnen gaan. De meren die door het steken van turf ontstonden, zouden steeds groter zijn geworden. Er zou minder land zijn geweest om voedsel te verbouwen en er zouden minder geschikte plekken zijn geweest om te wonen.
Ook in de negentiende eeuw waren de polderjongens van groot belang voor Nederland. In de negentiende eeuw werden de polderjongens ook voor de rest van het land belangrijk. Juist toen werd de infrastructuur van wegen, kanalen en spoorwegen uitgerold. Dat was allemaal werk waarbij grond moest worden verzet. Zonder die infrastructuur had Nederland zich niet op dezelfde manier naar het industrieel-kapitalistische tijdperk kunnen ontwikkelen.
Dat de opening van het Noordzeekanaal nu 150 jaar geleden is, vormt een aanleiding om aandacht aan de polderjongens te besteden. Zo werkt het nu eenmaal: voor de media moet een herdenking vaak een mooi rond getal hebben, zoals vijftig, honderd of honderdvijftig jaar. Maar de polderjongens verdienen ook los van zo’n jubileum aandacht.
Zeker het westen van Nederland had misschien niet eens bestaan zonder de polderjongens. Zij verdienen een beter lot dan vergetelheid.
Er is nauwelijks iets over hen bekend en wat er over hen geschreven is, blijkt bij grondig onderzoek niet te kloppen. Zeker het westen van Nederland had misschien niet eens bestaan zonder de polderjongens. Zij verdienen een beter lot dan vergetelheid.
In mijn boek Daar is een polderjongen doodgeschoten breng ik hun werk, hun leefomstandigheden, hun gemeenschap en hun strijd voor rechtvaardigheid voor het voetlicht.