4 opmerkelijke verhalen uit het leven van Barthold de Geer van Jutphaas
4 opmerkelijke verhalen uit het leven van Barthold de Geer van Jutphaas

4 opmerkelijke verhalen uit het leven van Barthold de Geer van Jutphaas

Barthold Reinier de Geer van Jutphaas (1791-1840) was jonkheer, theoloog, predikant en hoogleraar. Maar hij was ook een charmeur en pechvogel in de liefde, een liefhebber van natuur en cultuur en een man met een opmerkelijk oog voor zijn eigen eigenaardigheden. In zijn autobiografie beschreef hij zijn leven bovendien opvallend openhartig.

In Jhr. Barthold Reinier de Geer van Jutphaas 1791-1840 brengt Cees Huisman hem opnieuw tot leven. Vier fragmenten laten zien hoe verrassend, soms komisch en soms ontroerend het levensverhaal van De Geer is.

1. Als puber in de kost bij een onsympatieke en ouderwetse dominee

Rein de Geer groeide op in ‘Huize de Geer’ bij Jutphaas. Als kind vermaakte hij zich daar opperbest, maar zijn vader vond dat er nodig iets aan zijn culturele ontwikkeling gedaan moest worden. Hij had wel iets meegekregen van de lessen, die zijn oudere zussen thuis ontvingen, maar dat was maar mondjesmaat.

Daarom kwam zijn vader op een rigoureus idee: Rein moest privé-onderwijs gaan volgen bij ds. Van Slogteren in Hoorn. Waarschijnlijk was die dominee een goede bekende van vrienden van familie De Geer. Als 15-jarige puber reisde Rein In november 1806 samen met zijn vader tot aan Purmerend, waar de dominee hem opwachtte.

In zijn nieuwe leefomgeving voelde Rein zich volstrekt niet op zijn gemak. De vrouw van de dominee maakte al evenmin een goede indruk op Rein. Het huis was vol kinderen en de domineesvrouw runde het huishouden op een slordige manier. Rein moest bivakkeren in een kamer waar nog niet gestookt werd, zodat hij het meteen al behoorlijk koud had. Als hij naar buiten keek had hij zicht op een slagerij, waar hij dagelijks warm dierenbloed zag stromen, maar even verder kijkend kon hij genieten van het ‘het majestueuze schouwspel van de zee’ (p. 32).

Rein vond de dominee niet alleen onsympathiek, maar ook diens lesmethode sloot in geen enkel opzicht aan bij de belangstellingssfeer van de zich eenzaam voelende ‘student’. Grieks en Latijn vormden het hoofdmenu, maar dit bevatte weinig aantrekkelijks.

Het ontbrak de leermeester geenszins aan kennis, maar zijn leermethode was rigide en op de oude leest geschoeid en dat paste precies bij zijn inzichten en karakter.

Het reeds twee eeuwen oude leerboek Latijn van Gerardus Vossius (1577-1649) werd op de voet gevolgd en Rein moest alles uit zijn hoofd leren tot de kleinste voetnoten aan toe. De klassieke teksten werden hem voorgeschoteld in de edities van Friedrich Gedike, die hij a capite ad calcem moest lezen, herlezen en uit het hoofd leren. De Phaedrus van Plato leek Van Slogteren iets geschikts om mee te beginnen … (p. 33).

2. Ongelukkig in de liefde

Rein de Geer kan zeker getypeerd worden als iemand die vanaf zijn vroege jaren belangstelling had voor het vrouwelijk geslacht. Als 15-jarige ‘student’ in Hoorn bemerkte hij dat al, en later tekende hij dit daarover op:

Hier begon dan nu ook Amor, die reeds in mijn kindsheid van tijd tot tijd mij had toegelachen, zijn pijlen in mijn hart te schieten, zodat ik de schone sexe meer begon te observeren. Aan verbintenissen dacht ik tot dusver niet.

Maar toen hij tien jaar later predikant was geworden in Lienden (1817) werd zijn verlangen naar een wederhelft naast hem wel urgenter. In zijn eentje in de pastorie leek hem geen aantrekkelijk vooruitzicht.

Al vóór zijn aankomst in Lienden had Rein een meisje leren kennen, dat ’s winters in Utrecht verbleef en ’s zomers in Lienden, met wie hij al vóór zijn intrede had kennis gemaakt en voor wie hij ook wel enige genegenheid had opgevat, zoals hij opschreef in zijn levensverhaal. Zodra hij zich in Lienden gesetteld had begon een amoureuze briefwisseling op gang te komen, waarin zij soms haar twijfels toonde. In mei arriveerde zij met haar ouders in Lienden, zodat hij haar dagelijks zag en het kwam zelfs zover, dat zij hem haar jawoord gaf: ‘wij vrijden toen een geruime tijd van ganser harte!’

Rein was helemaal in de wolken, omdat hij een aanstaand huwelijk al binnen afzienbare tijd zag plaatsvinden. Er ontstond echter – in een briefwisseling – onenigheid met haar moeder voor de bepaling van het tijdstip van het aanstaande huwelijk. Rein maakte zijn ongenoegen aan moeder en dochter ondubbelzinnig kenbaar over het lange uitstel, dat echter een behoorlijke vertroebeling van de verhoudingen veroorzaakte. Pogingen van zijn kant om de relatie weer vlot te trekken mislukten en zo ‘was de zaak afgedaan’. Kort daarna vertrok L. van der H. (‘want zo heette het meisje’) naar Den Haag. (p. 85, 86).

3. Een hinderlijke oogkwaal

Nadat Rein de Geer de gemeenten van Lienden en Vreeland als predikant gediend had werd hij in 1825 ‘tot hoger ambt’ geroepen. Hij werd benoemd tot hoogleraar theologie (later uitgebreid met Vaderlandse Geschiedenis) aan het Rijksathenaeum in Franeker. In die tijd was deze onderwijsinstelling geen universiteit meer: het was meer een propedeutische opleiding als opstap voor studenten, die daarna naar Leiden, Groningen of Utrecht gingen om verder te studeren. Zijn professoraat had hiermee een enigszins anachronistisch karakter.

Vol goed moed en enthousiast bleek al na enige jaren, dat hij zich er niet thuis voelde en voortdurend zijn best deed om ergens anders een benoeming te krijgen, maar dat mislukte.

Tot overmaat van ramp ontwikkelde zich vanaf 1833 bij hem een oogkwaal, die hem hinderde bij de studie en in het sociale verkeer. De artsen wisten niet goed wat er aan de hand was en suggereerden een inflammatio, die misschien met rust en het deppen van het oog met regenwater kon worden behandeld. Ook werd hem een donkergroene bril aangemeten.

In de meimaand van dat jaar verbleef hij enige tijd in Baarn:

Daar zat ik met de groene bril, die sedert enige dagen nodig was geoordeeld in het groen te kijken, leefde zeer sober en bewandelde ‘s morgens vroeg en ’s avonds laat, als de zon niet hinderde, alles.

Gedurende de zomer van 1833 ging hij veel op pad en verkende delen van het vaderland, die hij nog niet kende. In juni bezocht hij de oculist O., die zelfs de gewaagde proef voorstelde om bloedzuigers te proberen, maar hij zag daar toch maar van af. Half juli ondernam hij een (wandel)tocht door de Achterhoek en Twente en genoot van het mooie weer en de prachtige natuur.

De donkere groene bril kon aan het einde van de zomer vervangen worden door een lichtere, zodat hij voorzichtig weer iets kon lezen en bestuderen, maar hij was nog beslist niet van plan zijn colleges in Franeker te hervatten. (p. 148)

4. Een weinig gunstige reputatie

De Geer heeft een groot deel van zijn leven geworsteld met een weinig gunstige reputatie. Dat hing voor een deel samen met zijn karakter. Hij kon opvliegend en impulsief zijn en daardoor soms een onberekenbare indruk maken. Maar vooral zijn ongedwongen, misschien ook wat vrijmoedige omgang met meisjes en vrouwen speelde hem parten. In zijn autobiografie doet hij uitvoerig verslag van zijn pogingen om een geschikte huwelijkspartner te vinden, maar al die pogingen liepen op niets uit. Na verloop van tijd kregen geruchten over zijn omgang met vrouwen een hardnekkig karakter. Dat heeft zijn kansen op een professoraat elders vermoedelijk niet bevorderd. Zelf ontkende hij stellig dat hij zich ooit tegenover vrouwen te ver over de schreef had gedragen. Volgens hem berustten de geruchten op misverstanden en op onvoldoende kennis van zijn persoon.

Na zijn overlijden in 1840 werden door Boeles, in zijn geschiedenis van de Franeker Hogeschool, verschillende herinneringen en indrukken van tijdgenoten bijeengebracht. Zij geven een beeld van een man die door zijn omgeving als opvallend en moeilijk te doorgronden werd ervaren.

Junius, een oud-rector, stelde dat het geringe aantal studenten aan het Franeker Athenaeum weliswaar een min of meer vaststaand gegeven was, maar dat dit aantal groter had kunnen zijn als Rein de Geer daar geen hoogleraar theologie was geweest. Een dergelijke causale conclusie laat zich uiteraard moeilijk bewijzen. Wel tekent Junius De Geer als iemand wiens karakter zo bijzonder was, dat daarmee volgens hem al veel, zo niet alles, over hem gezegd was.

Ook oud-studenten herinnerden zich De Geer als ‘in hooge mate zonderling en excentriek’. Vooral zijn plotselinge overgangen van het jolige naar het ernstige en omgekeerd waren hun bijgebleven. Een van hen vertelde uit eigen ervaring:

Ik was eens bij hem met enige andere studenten, toen hij, na een levendig gesprek, dat soms gevaar liep de grenzen der welvoeglijkheid te overschrijden, opeens een hoog ernstige toon aansloeg en de jongelui waarschuwde tegen alle onzedelijkheid en sprak over reinheid des harten, op een wijze, die indruk maakte.

Het beeld van een man met onverwachte wendingen wordt versterkt door een andere herinnering. Midden onder zijn college vroeg De Geer een student eens het raam open te schuiven. Vervolgens pakte hij zijn geweer en schoot enkele kraaien dood die hem al enige tijd hadden gehinderd. (p. 231)

De anekdote is bijna karikaturaal, maar juist daardoor veelzeggend: ook voor zijn studenten moet De Geer iemand zijn geweest bij wie ernst, eigenzinnigheid, humor en impulsiviteit op onverwachte wijze konden samenvallen.

Misschien had De Geer gelijk dat zijn leven geen geschiedenis van grote gebeurtenissen was. Maar juist in de kleine voorvallen, zijn mislukkingen, eigenaardigheden, liefdesperikelen en persoonlijke observaties wordt hij een mens van vlees en bloed. Wie meer wil weten over deze opmerkelijke negentiende-eeuwse theoloog kan terecht in Jhr. Barthold Reinier de Geer van Jutphaas 1791-1840 van Cees Huisman.

Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg