In mijn boek 'Geen stijl' (2022) beschrijf ik een andere manier om naar architectuur te kijken: een die zich niet zozeer richt op de gevels, stijlen en beroemde architecten, maar meer op de indeling, techniek, vakmanschap, opdrachtgevers, gebruikers en de samenleving. Ik heb mijn blik gescherpt door zoveel mogelijk gebouwen te bezoeken, en Open Monumentendag was daarbij een uitkomst. Zo werd Open Monumentendag mijn favoriete weekeind van het jaar.
Hieronder beschrijf ik wat ik zie in een gebouw; ik neem u mee langs vijf rijksmonumenten om met andere ogen te bekijken.
Koepelgevangenissen, Arnhem, Breda en Haarlem
Mijn eerste bezoek aan een koepelgevangenis (die van Breda) behoort tot mijn mooiste herinneringen aan Open Monumentendag. Ik was bijna niet te houden toen we eerst moesten wachten tot de groep compleet was en daarna eindelijk naar binnen gingen. Ondertussen bleef de gids maar doorpraten over welke bekende misdadigers er hadden vastgezeten. Het kon me geen klap schelen: ik wilde de koepel van binnen zien. Ik snelde vooruit om er een glimp van op te vangen, maar werd teruggefloten. ‘Meneer, u krijgt heus de rest van het gebouw nog wel te zien.’
Architectuur is een ruimtelijke oplossing voor een maatschappelijk probleem.
In Geen stijl schrijf ik dat architectuur een ruimtelijke oplossing is voor een maatschappelijk probleem. Een koepelgevangenis is daar een goed voorbeeld van. In de negentiende eeuw werd het ‘cellulaire stelsel’ ingevoerd; misdadigers werden niet langer in grote groepen, maar in hun eentje in een cel opgesloten. Het idee was dat ze daar over hun zonden zouden gaan nadenken en berouw zouden krijgen.
In een koepelgevangenis waren de cellen in een cirkel rond een centraal punt geplaatst, waarbij de deuren naar het middelpunt waren gericht. In dat middelpunt stond een observatiepost. Vanuit daar konden de bewakers alle cellen in de gaten houden. Bij een vleugelgevangenis, waar de cellen aan een lange gang en tegenover elkaar zijn gegroepeerd, kan dat niet.
Krankzinnigengesticht Duin en Bosch, Castricum
Enkele jaren geleden zat ik met Open Monumentendag vast op een Waddeneiland. Normaal vind ik de eilanden heerlijk, maar dit was een kwelling; ik moest naar een familieweekeind, terwijl ik wist dat het voormalige krankzinnigengesticht Duin en Bosch in Castricum open was. Ik heb het uiteindelijk op een andere dag bezocht. Het was weliswaar niet geopend, maar ik kon alsnog de schaal van het complex goed in me opnemen.
Wat tegenwoordig een psychiatrische instelling heet, werd rond 1900 een krankzinnigengesticht genoemd. Vanaf circa 1880 werd krankzinnigheid gezien als een ziekte; ‘gekken’ werden ‘geesteszieken’. Dit was weer zo’n maatschappelijke verandering die om een ruimtelijke oplossing vroeg. Zieken behandel je immers in een ziekenhuis. Zo ontstonden de eerste krankzinnigengestichten.
Mannen en vrouwen werden onderverdeeld in ‘rustige’, ‘halfrustige’ en ‘onrustige’ patiënten. Die indeling bepaalde de inrichting van de ruimte en werd consequent tot in de kleinste details doorgevoerd.
In Castricum werden patiënten bij aankomst verdeeld over zes paviljoens om de rust te bewaren. Eerst werden de mannen en vrouwen van elkaar gescheiden; tussen hun paviljoens liep een denkbeeldige lijn die de ‘geslachtas’ werd genoemd. Daarna werden de mannen en vrouwen verder onderverdeeld in ‘rustige’, ‘halfrustige’ en ‘onrustige’ patiënten. Die indeling bepaalde de inrichting van de ruimte en werd consequent tot in de kleinste details doorgevoerd. Op de rustige afdeling waren de ruiten bijvoorbeeld groot en de radiatoren niet omkleed, omdat dat als vertrouwd werd beschouwd. Op de onrustige afdeling daarentegen waren de ruiten kleiner en dikker, zodat ze niet snel braken, en waren de radiatoren omkleed om te voorkomen dat patiënten hun vingers zouden branden.
Het Academiegebouw in Groningen. Ga voor een plaspauze even naar het toiletblok in de rechtervleugel. By Wutsje / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=17987351
Academiegebouw, Groningen
Op zaterdag staan er vaak groepjes toeristen die naar de mooie gevel van het Academiegebouw in Groningen kijken. Als er een stadsgids bij is, krijgen zij te horen dat het gebouw in 1906 is afgebrand en waarom de architect de nieuwbouw in neorenaissancestijl heeft ontworpen. ’s Zaterdags zijn de deuren gesloten; anders zou ik de toeristen aanraden om vooral even naar binnen te gaan, al is het maar om te plassen. Het toiletblok in de rechtervleugel is namelijk mijn favoriete plek in het gebouw.
Hoogleraar psychologie Gerardus Heymans wilde allerlei psychologische experimenten uitvoeren en zelfs paranormale verschijnselen. Daarvoor moest een van de ruimten volledig van de buitenwereld kunnen worden afgesloten.
Toen het Academiegebouw in 1909 werd geopend, bevond zich op de plek van dat toiletblok het laboratorium van de beroemde hoogleraar psychologie Gerardus Heymans. Heymans wilde daar allerlei psychologische experimenten uitvoeren en zelfs paranormale verschijnselen onderzoeken. Daarvoor moest een van de ruimten volledig van de buitenwereld kunnen worden afgesloten. De bouwtechniek moest dat mogelijk maken. Daglicht kon relatief eenvoudig worden buitengesloten, maar geluidsisolatie was een ander verhaal. De muren van het laboratorium waren opgebouwd uit baksteen, drijfsteen (een lichtgewicht bouwsteen), een laag kurk als isolatiemateriaal en opnieuw baksteen. En het mooie is: als je het toiletblok binnenloopt, kun je nog altijd zien hoe dik die muur is.
Scheepvaarthuis, Amsterdam
Een kleine bekentenis: ik ben niet met Open Monumentendag in het Scheepvaarthuis in Amsterdam geweest. Ik ben er zomaar eens naar binnen gestapt (ik durfde dat toen nog). Hoe dan ook, volgens architectuurhistoricus Giovanni Fanelli is het Scheepvaarthuis het eerste gebouw dat volledig in de stijl van de Amsterdamse School is gerealiseerd. De architect die verantwoordelijk was voor de prachtige gevels en interieurs was J.M. van der Meij.
Van Gendt bedacht uit welke lagen en smaken de taart moest worden samengesteld en Van der Meij zorgde ervoor dat het baksel er fantastisch uitzag.
Maar een architect doet veel meer dan de gevel en het interieur vormgeven. Dat dat nogal eens wordt vergeten, bewijst het Scheepvaarthuis. Bij het ontwerp en de bouw was namelijk nog een tweede architect betrokken: A.D.N. van Gendt. In de vakliteratuur wordt hij vaak weggezet als de man die verantwoordelijk was voor de betonconstructie. Daarmee wordt zijn werk – en dat van de betonconstructeur – echt tekort gedaan. Van Gendt was namelijk verantwoordelijk voor alles, met uitzondering van de esthetiek. Hij was gespecialiseerd in kantoren en ontwierp in overleg met de opdrachtgever de plattegronden en de doorsneden. Vergelijk het met een taart: Van Gendt bedacht uit welke lagen en smaken de taart moest worden samengesteld en Van der Meij zorgde ervoor dat het baksel er fantastisch uitzag.
De bovenbouw van het Vredespaleis in Den Haag werd uitgevoerd door de firma H.F.
Boersma. Om zo snel en goedkoop mogelijk te bouwen maakte de firma gebruik van het nieuwste
materieel, zoals een steiger met elektrische kranen – op rails – en elektrische bouwliften voor het
materiaaltransport. Foto: C.J. de Gilde, 1910. Collectie Carnegie-Stichting, Den Haag.
Vredespaleis, Den Haag
Architectuurgeschiedenis is vaak synoniem aan architectengeschiedenis: de architect wordt op een voetstuk geplaatst, terwijl het werk van alle anderen die aan het gebouw hebben meegewerkt wordt vergeten. Het Vredespaleis is een voorbeeld van de uitzonderlijke prestaties die aannemers rond 1900 leverden. Die prestaties blijven echter grotendeels onzichtbaar; je moet ervan weten om ze te kunnen waarderen.
Om zo snel en goedkoop mogelijk te bouwen maakte Boersma (later de Ballast Nedam Groep) gebruik van het nieuwste materieel.
De bovenbouw van het Vredespaleis werd uitgevoerd door de firma H.F. Boersma uit Den Haag. Om zo snel en goedkoop mogelijk te bouwen maakte Boersma gebruik van het nieuwste materieel. Bak- en natuursteen werd met de stoomtram naar het bouwterrein aangevoerd, waar een enorme steiger was opgetrokken. Het materiaal werd vervolgens met elektrische liften, met een draagvermogen van maximaal 2000 kilogram, omhoog getransporteerd. Boven op de steiger liep een spoorlijntje waarover twee elektrische kranen zich konden verplaatsen, elk met een hefvermogen van 2500 kilogram. Dankzij deze kranen waren bij het stellen van grote natuursteenblokken nog slechts twee bouwvakarbeiders nodig.
De firma Boersma veranderde zijn naam later in NEDAM (Nederlandsche Aanneming-Maatschappij) en bouwde onder andere veel in het toenmalige Nederlands-Indië. In 1969 fuseerde Ballast met Nedam tot de Ballast Nedam Groep. Het is tegenwoordig een van de grootste bouwconcerns van Nederland. Waarom schrijft niemand dáár een boek over?
Dat waren vijf gebouwen om op een andere manier naar te kijken, maar er zijn er natuurlijk veel meer. Nederland telt immers tienduizenden rijksmonumenten, naast provinciale en gemeentelijke monumenten, karakteristieke en beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Wie verder kijkt dan gevels en stijlkenmerken ontdekt een wereld van techniek, vakmanschap en maatschappelijke geschiedenis. In
Geen stijl maak ik die verborgen verhalen zichtbaar en laat ik zie dat gebouwen meer vertellen dan hun uiterlijk doet vermoeden.