In steden als Bandung, Malang en Medan ontstond rond 1900 een nieuwe bouwcultuur. De architectuur in Nederlands-Indië ontwikkelde zich van standaardontwerpen en handboeken tot een vakgebied waarin architecten steeds meer een eigen koers gingen varen. Dit artikel laat zien hoe deze ontwikkeling samenhing met economische groei, urbanisatie en maatschappelijke veranderingen.
Het vormt een toegankelijke introductie op het verhaal dat in het boek Architecten en hun werk in Indonesië 1860-1960 verder wordt uitgediept.
In Zuidoost-Azië kent de Indonesische archipel haar eigen geschiedenis, gekenmerkt door een rijke culturele diversiteit. De westerse dominantie was sinds het einde van de zestiende eeuw sturend in de ontwikkeling van de kuststeden, vooral op Noord-Java en in mindere mate op Celebes (Sulawesi) en Sumatra.
Later, in de negentiende eeuw, werd met de aanleg van spoorlijnen en autowegen het binnenland ontsloten. Steden als Bandung (West-Java) en Malang (Oost-Java) kwamen tot ontwikkeling. Hetzelfde gold voor Medan (Noordoost-Sumatra), het centrum van de handel in tabak, rubber en palmolie.
De hoofdentree van het treinstation in het oude stadsdeel van Jakarta (Kota Tua). Architect: Frans Ghijsels. Geopend: 1929.
Groei van steden en voorsteden in Nederlands-Indië
Met de opheffing van het omstreden Cultuurstelsel in 1870 en de openlegging van de Nederlands-Indische kolonie nam het aantal Europeanen dat naar ‘de Oost’ vertrok sterk toe. Aan het einde van de negentiende eeuw begon de transitie van een besloten ambtenaren-militaire maatschappij naar een meer open, moderne samenleving.
In het laatste kwartaal van de negentiende eeuw zette de kolonie de deuren open voor het westerse bedrijfsleven en veranderde de rol van de overheid van initiërend naar meer faciliterend. Tijdens het interbellum groeide de Europese bevolking en werd, door de toegenomen mobiliteit, het wonen in voorstedelijke gebieden populair.
De bouwplaats van het kantoorgebouw van de Gouvernementsbedrijven in Bandoeng (Bandung). Architect: Johan Gerber. Geopend: 1924.
De koloniale overheid droeg bij aan de groei van de bouwmarkt met een toenemende vraag naar bestuurskantoren, scholen en woningen. Evenredig daaraan ontstond behoefte aan culturele en sportaccommodaties. We kunnen stellen dat in het interbellum grote infrastructurele opgaven werden geklaard.
Van een bouwbehoefte die door middel van een origineel ontwerp werd opgelost, was nauwelijks sprake; vrijwel iedereen maakte gebruik van voorbeeldboeken.
Van standaardontwerpen naar moderne architectuur
Architecten die in Nederlands-Indië werkten, hadden kennis van de ontwikkelingen in Europa en de Verenigde Staten en volgden ook de ontwikkelingen in de omringende Brits-Indische koloniën. Daarbij stelden zij zich de vraag of een ‘eigen’ richting in architectuur en bouwen mogelijk was.
Rond de eeuwwisseling waren er echter vrijwel geen geschoolde architecten in de kolonie. De civiele ingenieurs van de Burgerlijke Openbare Werken fungeerden als architect. Bij overheidsgebouwen werkte men met ‘normaalontwerpen’ en handboeken die in de gehele archipel werden toegepast.
Daarnaast waren er kleine aannemers, vaak van Chinese of Arabische origine, die voor eigen rekening de woningverhuurmarkt bedienden. Landinwaarts, op Java en aan de noordoostkust van Sumatra, hoorden de woonhuizen bij de grote landbouwbedrijven. Van een bouwbehoefte die door middel van een origineel ontwerp werd opgelost, was nauwelijks sprake; vrijwel iedereen maakte gebruik van voorbeeldboeken.
Dit veranderde toen in het begin van 1908 ir. Simon Snuijf in dienst kwam bij de Burgerlijke Openbare Werken (BOW) als aspirant-ingenieur voor ‘het opmaken van bouwkundige ontwerpen’. Het Bouwkundig Bureau betekende een verrijking binnen de organisatie van de BOW en werd al snel overladen met werk.
Het aantal architecten in vaste dienst nam niet toe; er werd gewerkt met jonge architecten in tijdelijke dienst. Dit was niet zonder betekenis voor het architectenbestand in het interbellum. Het waren deze architecten die na beëindiging van hun dienstverband een eigen bureau begonnen, onder wie Frans Ghijssels, Hein von Essen en Charles Wolff Schoemaker.
De School tot Opleiding van Inlandse artsen (stovia) in Batavia, de latere Geneeskundige Hogeschool en nu het goed onderhouden frontgebouw van de faculteit Geneeskunde in Jakarta (Fakultas Kedokteran Universitas Indonesia). Architect: Hein von Essen. Geopend: 1920.
De architecten van de BOW waren de eersten die georganiseerd en beredeneerd de architectuur van de bouwopgave vernieuwden. Al snel bleek echter dat de bouwopgave groter en gedifferentieerder was dan de mogelijkheden van de overheid, waarna de commerciële architect zijn intrede deed.
Er waren talloze kleine en grotere bedrijven die zich soms in de meest merkwaardige combinaties aandienden. Zij noemden zich vaak aannemer-architecten, bezaten soms een tegelfabriekje, handelden in bouwmaterialen of hang- en sluitwerk, of waren makelaar of bemiddelaar in bouwkredieten.
Het architectenberoep in Nederlands-Indië
Tegelijk met de opkomst van de moderne steden werd de koloniale elite een steeds meer besloten groep, die afgezonderd leefde en recreëerde. Meer dan ooit werd de samenleving gelaagd en door scheiding gekenmerkt.
Net als in Nederland was de uitoefening van het architectenberoep in Nederlands-Indië onbeschermd. Er waren talloze kleine en grotere bedrijven die zich soms in de meest merkwaardige combinaties aandienden. Zij noemden zich vaak aannemer-architecten, bezaten soms een tegelfabriekje, handelden in bouwmaterialen of hang- en sluitwerk, of waren makelaar of bemiddelaar in bouwkredieten.
De grote handelsfirma’s verstrekten opdrachten aan architectenbureaus die in Indië waren gevestigd. Een aantal grote Nederlandse bouwbedrijven vestigde hoofdkantoren in Nederlands-Indië, zoals de Bataafsche Aanneming Maatschappij (BAM), de Hollandsche Beton Maatschappij N.V. (HBM) en de N.V. Nederlandse Aannemingsmaatschappij (NEDAM). Zij waren betrokken bij de grotere bouwprojecten.
Daarnaast richtten enkele grotere architectenbureaus eigen bouwbedrijven op om ontwerp en uitvoering van het gebouwde product te kunnen garanderen; onder andere het Algemeen Ingenieurs- en Architectenbureau (AIA) en Fermont-Cuypers hadden hun eigen bouwbedrijven. Bovendien verrichtten veel middelgrote en kleinere bouwbedrijven architectenwerkzaamheden. Vooral in de woningmarkt speelden deze bedrijven een belangrijke rol.
Een bijzondere plaats werd ingenomen door de Landsgebouwendienst, voortgekomen uit het Departement van BOW. Deze dienst vervulde een dubbele rol: zij was een belangrijke opdrachtgever voor bouwbedrijven, maar fungeerde ook als een zelfstandige gemeenschap van architecten en ingenieurs, los van de commerciële bureaus.
Daarnaast hadden de spoorwegbedrijven soms architecten in dienst om aan hun bouwbehoeften te voldoen. Hetzelfde gold voor enkele grote ondernemingen, vooral wanneer zij actief waren in de buitengewesten.
Een grondig gerenoveerd woonhuis in Malang, gebouwd in de tweede helft van de jaren dertig.
De Technische Hogeschool in Bandung
Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam de in- en export van en naar Nederland op den duur vrijwel stil te liggen. Dit werd gedeeltelijk gecompenseerd doordat de Verenigde Staten als handelspartner optraden en Japan het land voorzag van goedkopere, concurrerende artikelen.
Op 1 februari 1917 kondigde de Duitse regering een totale duikbotenoorlog af als antwoord op een verscherpte Britse zeeblokkade. Nederland ondervond hiervan direct de gevolgen, omdat ook neutrale schepen het gevaar liepen getorpedeerd te worden. De instandhouding van de verbindingen met Nederlands-Indië werd in de laatste jaren van de oorlog onmogelijk.
Niet alleen de koloniale overheid, maar ook het bedrijfsleven maakte zich grote zorgen. Al eerder hadden zij zich uitgesproken voor de oprichting van een Technische Hogeschool, en nu was de tijd rijp. De belangrijkste initiatiefnemers bevonden zich in het bedrijfsleven.
In Nederland was dat de Nederlandsche Handel-Maatschappij en haar president-directeur Cornelis van Aalst; in Nederlands-Indië was het Karel Bosscha, theeplanter op de hellingen van de Malabar in West-Java. In zijn jonge jaren had Bosscha enige tijd architectuur gestudeerd in Delft, maar in 1887 vertrok hij naar Indië, waar hij een succesvol ondernemer werd.
Nadat in 1918 was besloten de Technische Hogeschool in Bandung te realiseren, werd voortvarend gehandeld en in de herfst van dat jaar lag het definitieve ontwerp gereed. Architect ir. Henry Maclaine Pont was voor deze opdracht aangesteld.
Zijn plan viel echter niet direct in goede aarde en werd kritisch ontvangen. Men vond het tekenwerk onvoldoende en vreesde een ontoelaatbare overschrijding van de kosten, veroorzaakt door de excentrieke bouwwijze en bewerkelijke details. De architect werd terzijde geschoven en niet bij de uitvoering betrokken.
Niettemin werd het complex al op 3 juli 1920 geopend in aanwezigheid van gouverneur-generaal Johan Paul van Limburg Stirum. Het hoofdgebouw was nog niet volledig voltooid en werd enigszins versierd met groen. De elektriciteit was nog niet aangesloten, waardoor gebruik werd gemaakt van olielampen.
Op 1 juli 1924 werden de eerste diploma’s uitgereikt aan twaalf ingenieurs. In datzelfde jaar werd de Technische Hogeschool in Bandung een overheidsinstelling.
Technische Hogeschool in Bandung (Bandoeng), nu Institut Teknologi Bandung. Architect: Henry Maclaine Pont. Geopend: 1920.
Na de onafhankelijkheid: vertrek van Nederlandse architecten
De aanval van de Duitse strijdkrachten op Nederland en de capitulatie op 15 mei 1940 markeerden het laatste stadium van de Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indonesië. Na het Japanse bombardement op Attack on Pearl Harbor op 7 december 1941 brak de oorlog uit tussen de Verenigde Staten en Japan.
Al snel werd duidelijk dat ook Nederlands-Indië niet gespaard zou blijven. Op 9 maart 1942 capituleerde Nederlands-Indië voor Japan, een dag die het einde van Nederlands-Indië inluidde. Tijdens de Japanse bezetting werd er vrijwel niet gebouwd. Wel werden in de grotere steden op Java enkele initiatieven genomen op het gebied van kampungverbetering, met name om uitbraken van ziekten zoals pokken te voorkomen.
Enkele dagen na de Japanse capitulatie proclameerden Soekarno en Mohammad Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië. Er volgden jaren van strijd, waarna Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit overdroeg aan de Verenigde Staten van Indonesië (Republik Indonesia Serikat, RIS).
In het eerste decennium van de Indonesische onafhankelijkheid bleef de inbreng van Nederlandse architecten nog duidelijk aanwezig. Enkelen pakten de draad van vóór de Tweede Wereldoorlog weer op en ontwierpen vooral woningen, gebaseerd op concepten uit de jaren dertig.
Andere architecten, zowel Indonesisch als Nederlands, richtten zich op de opgave van een nieuw en onafhankelijk Indonesië en ontwierpen moderne gebouwen. Deze situatie kon echter niet voortduren. Tegen het einde van de jaren vijftig liepen de spanningen tussen Nederland en Indonesië op.
Nederland weigerde haar laatste koloniale gebied in Zuidoost-Azië, Nieuw-Guinea (Papoea), op te geven. Bij decreet van 5 december 1957 werden Nederlandse bedrijven in Indonesië genationaliseerd. Dit gold ook voor architecten- en ingenieursbureaus, waardoor Nederlandse architecten en werknemers noodgedwongen naar Nederland terugkeerden.
Het voormalige hoofdkantoor van ‘Pusat Perkebunan Negara’ in Jakarta. Architect: Ab Gmelig Meyling. Geopend: 1956.
De ontwikkeling van de architectuur in Nederlands-Indië laat zien hoe sterk bouwen verbonden was met maatschappelijke veranderingen. In Architecten en hun werk in Indonesië 1860-1960 wordt deze geschiedenis verder uitgewerkt aan de hand van projecten, architecten en steden.
Architecten en hun werk in Indonesië 1860-1960 geeft een samenhangend beeld van architecten en hun werk in Indonesië in de koloniale nadagen. De professionele architect deed zijn intrede aan het eind van de negentiende eeuw, beleefde zijn glorietijd tijdens het interbellum en onderging vervolgens een afnemende betrokkenheid in het eerste decennium van de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië.
Het eerste deel van het boek is informerend en beschrijvend, het is daarmee de bedoeling het onderwerp in een bredere context te plaatsen. Naast het werk van de architecten komen achtergronden, organisatie en werkomstandigheden aan de orde en wordt aandacht besteed aan de maatschappelijk-culturele omstandigheden, de rol van de pers en professionele publicaties.
Het tweede deel van het boek heeft de vorm van een catalogus, waarin de namen van (ruim 190) architecten worden genoemd, vergezeld van een kort cv. Met dit overzicht wordt beoogd een eerste aanzet te geven door vast te leggen welke architecten in de periode 1900-1960 actief waren.