Woensdag 2 mei 1956, in 2026 zeventig jaar geleden, was een heugelijke dag voor vrouwen in Nederland. Op die dag stemde de Tweede Kamer in met een wetvoorstel van de toenmalige minister van Justitie dat de juridische handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen uit het Burgerlijk Wetboek schrapte. Het was toevalligerwijze ook de verjaardag van de in haar tijd bekende radiomaakster, feministe en vredesactiviste Lilian Posthumus-van der Goot (1897-1989).
Zij vierde die dag in huiselijke kring haar 59e verjaardag en zal zich hoogstwaarschijnlijk niet bewust bezig hebben gehouden met het feit dat haar verjaardag dat jaar samenviel met een historische mijlpaal. Dat zal zeker zo zijn geweest omdat in haar optiek de afschaffing van de juridische handelingsonbekwaamheid van vrouwen geen eindpunt in de emancipatie van vrouwen was maar een verdere stap in een historische ontwikkeling, zoals blijkt uit dit citaat:
[…] het uitgangspunt voor haar eigenlijke emancipatie, in de zin van een onbelemmerde volwaardige deelname aan het leven op alle gebieden in het menselijk bestaan. Deze ontwikkeling die in Nederland nu ongeveer een halve eeuw gaande is, is nog verre van voltooid (Van moeder op dochter 1968).
Echtgenoten waren kostwinner en namen de belangrijke beslissingen in het leven. Echtgenotes deden het huishouden en zorgden voor de kinderen.
Juridische handelingsonbekwaamheid
De juridisch handelingsonbekwaamheid van vrouwen was ruim honderd jaar eerder, in 1838, vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling betekende dat vrouwen na hun huwelijk onder de zogenoemde maritale macht vielen. Daardoor verloren zij onder andere het eigendomsrecht op hun persoonlijke goederen en vermogen. Bovendien werden zij niet in staat geacht zelfstandig juridische of financiële beslissingen te nemen, dat was aan hun echtgenoten voorbehouden. De uitzondering hierop waren dagelijkse huishoudelijke uitgaven, waarover zij als huisvrouw wel vrijelijk konden beslissen. Daarmee legde het Burgerlijk Wetboek in feite ook de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen vast. Echtgenoten waren kostwinner en namen de belangrijke beslissingen in het leven. Echtgenotes deden het huishouden en zorgden voor de kinderen.
In april 1956, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer, hield het sociaaldemocratische Kamerlid Corry Tendeloo (1897-1956), een grote voorvechtster van meer juridische rechten voor vrouwen, een gloedvolle rede. Daarin noemde ze het ‘dwaas’ dat vrouwen al ruim vijftig jaar gekozen konden worden in een politieke functie en in die hoedanigheid ‘in de gemeente, provincie en het parlement wel mochten meebeslissen over miljoenen guldens maar thuis niets te zeggen hadden’ (Linders 2003).
Hoewel er in de Tweede Kamer een meerderheid leek te zijn voor het wetsvoorstel dat de juridische handelingsonbekwaamheid beoogde af te schaffen, wisten confessionele kamerleden toch een amendement aangenomen te krijgen waarin bepaald werd dat de man het gezinshoofd was. Dankzij dit amendement bleef de echtgenoot op papier de baas in het gezin, ook al werden man en vrouw juridisch gezien gelijkgesteld. Daarmee had het amendement geen juridische maar vooral symbolische waarde. De wet trad op 1 januari 1957 in werking, maar dat mocht Corry Tendeloo niet meer meemaken. Zij stierf in oktober 1956 aan de gevolgen van kanker.
Portret van Lilian Posthumus-van der Goot, begin jaren zestig, gekleed in lichtgekleurd vest met grote parelketting. Collectie IAV, Archief Posthumus-van der Goot, inv.nr. 2271.
Een gewone mevrouw met te veel vrije tijd
Vijfentwintig jaar lang, van haar trouwdag in januari 1931 tot en met haar 59e verjaardag in 1956, was Lilian Posthumus-van der Goot juridisch handelingsonbekwaam, wat op papier en in de praktijk consequenties had voor haar dagelijkse en werkende leven. Zo kon zij bijvoorbeeld na haar huwelijk niet meer beschikken over haar vermogen, dat bestond uit aandelen en obligaties die ze na het overlijden van haar moeder had geërfd. Het eigendom en beheer daarvan kwam na haar huwelijk in handen van haar echtgenoot Nicolaas Posthumus (1880-1960).
De eerste jaren van haar huwelijk leidde Lilian Posthumus-van der Goot het leven van een getrouwde vrouw en bekommerde zij zich om haar huis, haar man en zijn twee kinderen, de twee ‘meiden’ die bij haar in dienst waren, de hond en de kat. Haar dagen vulden zich met bridgen en ze het aflopen van veilingen. Daarmee voldeed ze aan de maatschappelijke verwachtingen die hoorden bij het leven van een getrouwde vrouw uit de gegoede middenklasse.
Decennia later karakteriseerde ze zichzelf als ‘een gewone mevrouw met te veel vrije tijd’ (Opzij 1984). Zoals ik in mijn biografie over Lilian Posthumus-van der Goot, Hartstochtelijk, partijloos, feministe, laat zien, gaf dit de gepromoveerde en ambitieuze Lilian Posthumus-van der Goot niet genoeg voldoening in het leven. Het was dan ook niet verrassend dat zij maatschappelijk actief werd en betrokken raakte bij de feministische strijd in de jaren dertig tegen de regeringsplannen om arbeid door gehuwde vrouwen te verbieden.
Ze vatte het plan op een wetenschappelijke bibliotheek en archief op te richten. Dit is het moment waarop zij direct geconfronteerd werd met de beperkingen als gevolg van de juridische handelingsonbekwaamheid die verbonden was aan haar huwelijkse staat.
De handtekening van een man
Het feministisch activisme van Lilian Posthumus-van der Goot uitte zich op allerlei manieren. Daarbij trad ze vooral naar buiten als wetenschapper en gepromoveerd econome. Niet voor niets zou ze aan het einde van haar leven ook verklaren dat ze ‘door de poorten van de wetenschap de wereld in was gestapt’ (Opzij 1984).
Voor de jongere en veelal hoogopgeleide feministes, waar Lilian Posthumus-van der Goot in die jaren toebehoorde, was het van groot belang om de ‘talloze ongefundeerde opinies over de vrouw en haar taak in de maatschappij’ te vervangen door een ‘op feitenkennis gebaseerde wetenschap’ (Wiersma 2025). Daarom vatte ze het plan op een wetenschappelijke bibliotheek en archief op te richten.
Hoewel er veel momenten in haar werkende en activistische leven zijn aan te wijzen waarop zij geconfronteerd werd met de heersende moraal, is dit het moment waarop zij direct geconfronteerd werd met de beperkingen als gevolg van de juridische handelingsonbekwaamheid die verbonden was aan haar huwelijkse staat. Formeel gezien mocht Lilian Posthumus-van der Goot als getrouwde vrouw immers niet deelnemen aan het rechtsverkeer. Concreet betekende dat, dat haar echtgenoot zijn toestemming moest geven voordat zij haar handtekening kon zetten op de oprichtingsakte van dit instituut. Dat deed hij, want gelukkig voor haar stond Nicolaas Posthumus bekend als een vooruitstrevend man die haar niet tegenhield in haar maatschappelijke ambities.
Nicolaas Posthumus (zittend) en Lily van der Goot, ongedateerd. Collectie IAV, Archief Posthumus-van der Goot, inv.nr. 2271.
Het moederschap als strategie
In 1938 werd Lilian Posthumus-van der Goot moeder van een dochter. Decennia later zou ze hierover zeggen dat ze niet had verwacht dat het moederschap er voor haar ‘nog in had gezeten’, temeer omdat ze laat trouwde en eigenlijk geen kinderen wilde. Het moederschap veroorzaakte echter geen beperking of omslag in haar drukke leven, want dankzij ‘haar milieu’, haar ‘vak’ en een man die hoogleraar was, kon ze – zo vertelde ze in datzelfde interview - iemand inhuren die op haar dochter paste. Om daar aan toe te voegen dat ze zelf van ‘half vijf tot ze ging slapen’ voor haar kind zorgde.
Het was een bijzonder eerlijke verklaring die strookte met de praktijk. Uit mijn onderzoek bleek dat ze ‘juffies’ inhuurde om te zorgen voor haar dochter terwijl ze zelf onverdroten buitenshuis doorwerkte, onder andere als eindredacteur van verschillende radioprogramma’s bij de AVRO. Terwijl ze zich tegelijkertijd zich actief inzette voor een betere maatschappelijke positie en daarmee de emancipatie van vrouwen.
Het moederschap was meer dan een biologisch gegeven voor Lilian Posthumus-van der Goot. Ze gebruikte het vooral ook om haar actieve rollen en functies maatschappelijk acceptabel te laten zijn, want die botsten met het maatschappelijk ideaal dat het moederschap beschouwde als ultieme levensvervulling voor vrouwen. Moeder zijn was dan ook een van haar zelfbeelden, zoals ik dat in mijn biografie heb genoemd. Het was een manier om zichzelf te omschrijven en bij anderen te introduceren, naast de andere door haar gehanteerde zelfbeelden van wetenschapper en feministe. Door zichzelf als moeder, en na de geboorte van haar kleinzoon grootmoeder, te typeren deed ze voorkomen dat ze zich conformeerde aan de geldende normen en maatschappelijke waarden. De levensbestemming van vrouwen was maatschappelijk gezien immers het moederschap en het huisvrouwenbestaan. Door zich te omschrijven als moeder, verbloemde Lilian Posthumus-van der Goot dus dat ze vooral een werkende vrouw was, die er een radiocarrière op nahield en zich op allerlei manieren hard maakte voor de emancipatie van vrouwen.
Het belang van deze biografie
In de biografie
Hartstochtelijk, partijloos, feministe onderzoekt Antia Wiersma hoe Lilian Posthumus-van der Goot het klaarspeelde om als getrouwde vrouw en moeder haar stempel te drukken op de zeer uiteenlopende maatschappelijke terreinen, de Nederlandse vrouwenbeweging, de (wat wij nu noemen) erfgoedsector, de geschiedwetenschap en de media, in een tijd dat het niet vanzelfsprekend was dat vrouwen, en getrouwde vrouwen in het bijzonder, maatschappelijk zichtbaar en actief waren.