Carnaval en de rol van kerk en stedelijke overheid in de openbare viering
Carnaval en de rol van kerk en stedelijke overheid in de openbare viering

Carnaval en de rol van kerk en stedelijke overheid in de openbare viering

Historicus André van Voorst schreef een boek over carnaval: 'Het getal der zotten is oneindig'. Het gaat over het feest zelf, maar vooral ook over de spanning die al eeuwenlang bestaat tussen burgers – de carnavalvierders – en machthebbers, de kerk en stedelijke overheden. Die spanning is al zichtbaar vanaf de late middeleeuwen en vormt de kern van zijn onderzoek.

Lees meer over Het getal der zotten is oneindig op onze website.

Onderwerp en invalshoek

Carnaval wordt vaak aangeduid als een katholiek feest. Van Voorst plaatst daar zelf nadrukkelijk vraagtekens bij. "De katholieke kerk had eigenlijk heel lang een ongelooflijke hekel aan het carnaval," stelt hij. Het feest werd gezien als chaotisch en ontregelend, en stond haaks op het ideaal van orde en discipline dat kerk en overheid nastreefden.

“Het gaat over carnaval, en met name over de spanning die van oudsher bestaat tussen de burger en de kerk en overheid.”

Beschavingsoffensief en civilisatieproces

Vanaf het einde van de middeleeuwen ontstond er een zogenoemd beschavingsoffensief. De elite probeerde de lagere klassen te vormen en te disciplineren. De socioloog Norbert Elias beschreef dit in zijn werk Het civilisatieproces. Hij stelde dat mensen in de loop der eeuwen stap voor stap beschaafder zouden zijn geworden.

De strijd tegen carnaval kan worden gezien als onderdeel van dit proces. Carnaval bood ruimte voor losbandigheid, spot en het tijdelijk omkeren van sociale verhoudingen. Van Voorst stelt de vraag of dit beschavingsproces daadwerkelijk is geslaagd. “Carnaval wordt immers nog steeds gevierd. Bovendien kreeg Elias later veel kritiek, onder meer vanwege de vraag hoe zijn theorie te rijmen is met gebeurtenissen als de Holocaust.”

In de beslotenheid van de Tilburgse huiskamer vierde de familie Van Vugt carnaval. Zolang men zich niet verkleed op straat vertoonde, was er weinig aan de hand. Sommigen waagden het erop en liepen het risico dat proces-verbaal tegen hen werd opgemaakt.

Aanleiding voor het onderzoek

De keuze voor het onderwerp ontstond niet vanuit een vooraf vaststaand plan. Van Voorst heeft als historicus geen vast specialisme. Wanneer hij zich in een onderwerp verdiept, wordt het vanzelf interessant. Dat gold ook voor carnaval.

De directe aanleiding was een televisie-documentaire over carnaval in Limburg, in Venlo of Sittard. "Ik bleef een beetje plakken voor de televisie en heb het helemaal uitgekeken," aldus Van Voorst. “Aan het einde realiseerde ik me dat carnaval iets anders was dan ik altijd had gedacht. Ik denk dat dat het vonkje is geweest."

Als oosterling uit Enschede, die lange tijd in het westen woonde, kende hij carnaval vooral als iets marginaals. In Enkhuizen zag hij een carnavalsoptocht waarbij het publiek langs de kant stond te kijken, zonder verkleedpartijen, muziek of feestgedruis. Daarna ging men weer verder met winkelen. Dit stond in schril contrast met het carnaval zoals dat in Limburg wordt beleefd. Volgens Van Voorst begrijpen veel noorderlingen en westerlingen de betekenis en beleving van carnaval niet.

Onderzoek en bronnen

Het onderzoek voor het boek nam ruim een jaar in beslag. "Ik was er dagelijks een paar uur mee bezig," zegt Van Voorst over zijn werkwijze. Het grootste deel van het onderzoek bestond uit literatuurstudie en krantenonderzoek, onder meer via Delpher. Daarnaast maakte hij gebruik van archieven.

Hoewel archiefonderzoek niet zijn favoriete bezigheid is, leverde het belangrijke inzichten op. Met name het Tilburgs Archief was een waardevolle bron. Daar vond hij het dagboek van een negentiende-eeuwse Tilburgse pastoor die fel gekant was tegen carnaval.

“In Tilburg hield een pastoor de burgers nauwlettend in de gaten, met verklikkers en het ‘schuifke’ als strafmiddel.” 

De Tilburgse pastoor en zijn maatregelen
Pastoor Van der Lee was uitgesproken anti-carnaval en vreesde de chaos die het feest volgens hem met zich meebracht. In zijn dagboek beschreef hij jaar na jaar de carnavalsperiode. Hij zette verschillende middelen in om het feest te bestrijden.

Een van zijn strategieën was het organiseren van een gebedsdienst van 24 uur, geleid door pater Bernard Hafkenscheid uit Limburg. Door mensen te laten bidden, hield hij hen weg van de straat en de kroeg. Daarnaast beschikte hij over een netwerk van verklikkers die door de stad liepen en rapporteerden wie zich niet aan de regels hield.

De straf voor overtreders was het zogenoemde ‘schuifke’. Bij de biecht weigerde de pastoor het schuifje te openen en nam hij de biecht niet af. In de negentiende eeuw werd dit ervaren als een zware straf.

Controle binnen de kerk

Niet alleen burgers werden gecontroleerd, ook pastoors zelf stonden onder toezicht. Sinds de contrareformatie stuurde de katholieke kerk visitatoren naar parochies om geestelijken te inspecteren. “En er werd nogal wat geklaagd, omdat de pastoors graag een borreltje lustten of een sigaartje rookten en daar toch wat meer aandacht aan besteedden dan aan de gelovigen.”

De kerk legde steeds meer nadruk op ernst en discipline. Zo werd bepaald dat er niet meer gelachen mocht worden in de kerk. Dit laat zien hoe ver de pogingen gingen om gedrag en emoties te reguleren.

De Kruikenmis, zoals de carnavalsviering in Tilburg wordt genoemd. Voor de kerk danst de vrolijke voorganger, diaken Geert Eijsbouts, op muziek van een blaaskapel. In de hoop dat God het Tilburgs dialect machtig is, vraagt de diaken de ‘zeege vur de Krèùkezèèkers, dèsse nie teveul gòn drinke’.

Tilburg als uitzondering

Tilburg nam een bijzondere positie in. Terwijl in andere Brabantse en Limburgse steden carnaval in de twintigste eeuw openbaar werd gevierd, bleef dit in Tilburg verboden tot 1965. Openbare vieringen leidden tot arrestaties.

Volgens Van Voorst lag dit aan lokale omstandigheden. "Dat lokale omstandigheden zoveel gewicht in de schaal kunnen leggen, vind ik één van de meest interessante conclusies". Kerk en gemeentebestuur werkten nauw samen en hadden voldoende macht om carnaval tegen te houden. Burgemeester Becht, de laatste tegenstander, beschouwde carnaval als iets van de arbeidersklasse en keek er op neer.

Uiteindelijk moest ook hij toegeven onder druk van de bevolking en de horeca. Eerst werd kindercarnaval toegestaan, later ook het volwassen carnaval. De overdracht van de stadssleutel aan Prins Carnaval volgde met tegenzin. Kort daarna verdween Becht als burgemeester.

“Carnaval heeft een hele lange traditie, en met name in Limburg zie je daarin iets van de ziel van de mensen terug.”

Traditie en verandering

Van Voorst betwijfelt of mensen veel leren van geschiedenis. “Ik ben bang dat mensen van geschiedenis niet zo heel veel leren en misschien ook wel helemaal niets. We tuinen toch generatie op generatie elke keer weer in dezelfde fouten. Helaas. Maar toch, als mensen het boek lezen en dit ervan oppikken zou ik dat wel aardig vinden: dat carnaval een hele lange traditie heeft. En ik als noordeling ga het nou ook toegeven: je ziet de ziel van de Limburger toch een beetje terug in het carnaval.”

Daarnaast benadrukt hij dat tradities niet statisch zijn. Verandering hoort bij traditie. Carnaval is door de eeuwen heen veranderd en blijft bestaan. 

Meer lezen over de geschiedenis van carnaval en de rol van de kerk en stedelijke overheden bij de openbare viering ervan? Lees meer over Het getal der zotten is oneindig op onze website. Bekijk ook het filmpje hieronder, waarin André vertelt over zijn onderzoek en boek.

 

Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg