Cees Paardekooper dook diep in de geschiedenis van de Hollandse Zending en het Utrechtse Schisma van 1723, met pastoor Gerard van Wijckersloot als centrale figuur. In dit artikel laat hij zien hoe religieuze conflicten, politieke belangen en persoonlijke loyaliteiten elkaar raakten in de Republiek der Zeven Provinciën – en hoe verrassend actueel die geschiedenis nog altijd is.
Wie zich verder wil verdiepen in deze unieke katholieke kerkscheuring en de moeizame multiconfessionele natievorming aan het begin van de achttiende eeuw, vindt in Monsieur le Double een rijk en gelaagd verhaal dat deze periode tot leven brengt.
U heeft een boek geschreven over de ‘troebelen in de Hollandse Zending’. Wat wordt daar precies onder verstaan?
“Met de Hollandse Zending wordt de katholieke kerkprovincie bedoeld ten tijde van de Republiek der Zeven Provinciën. Na de Reformatie was de bisschoppelijke hiërarchie weggevallen en was de katholieke kerk ‘een in aartspriesterschappen en reguliere prefecturen ontbonden veelheid geworden’, aldus de katholieke historici Rogier en De Rooy. Die situatie leidde tot voortdurende spanningen, zowel binnen de katholieke gemeenschap zelf als in de relatie met het Vaticaan en de wereldlijke autoriteiten van de Republiek. Die spanningen worden de troebelen in de Hollandse Zending genoemd.”
De Hollandse Zending was een noodstructuur die voortdurend spanningen voortbracht – binnen de katholieke gemeenschap én in de relatie met Rome en de Republiek.
Die troebelen mondden uiteindelijk uit in het Utrechtse Schisma van 1723. Waarom is dat zo’n belangrijk moment?
“Het Utrechtse Schisma is uniek in de katholieke kerkgeschiedenis. Het Utrechtse vicariaat kwam in 1723 buiten de katholieke kerkprovincie te staan en ging uiteindelijk verder als de Oud-Katholieke Kerk van Nederland. Wat mij intrigeerde, is dat deze kerkscheuring plaatsvond in een republiek die formeel protestants was, maar feitelijk multiconfessioneel. Ik heb het Schisma daarom niet alleen kerkgeschiedkundig benaderd, maar geplaatst in het bredere kader van de moeizame multiconfessionele natievorming in de Republiek aan het begin van de achttiende eeuw.”
Een centrale figuur in uw boek is pastoor Gerard van Wijckersloot. Waarom koos u juist hem als perspectief?
“Van Wijckersloot was een van de hoofdrolspelers in veel van de conflicten die uiteindelijk tot het Schisma hebben geleid. In Vaticaanse kringen stond hij bekend als Monsieur le Double, iemand met twee gezichten. Mijn conclusie is echter dat hij juist een man uit één stuk was. Hij wilde een goede vaderlander zijn en tegelijk de moederkerk trouw blijven. Vanuit zijn ambten – pastoor van de statie Sint Anna (De Pool), kanunnik van het Haarlems kapittel en aartspriester van Amstelland en Kennemerland – hield hij zijn eigen belangen goed in het oog.”
Gevelsteen D’Pool die was gemetseld in pakhuis De Pool, de statie Sint Anna van Gerard van Wijckersloot aan de Ygracht (Amsterdam).
U beschrijft de conflicten als een geschiedenis van coalitievorming. Hoe kwam u tot dat inzicht?
“Dat was echt een aha-moment. Vanuit mijn politicologische en bestuurskundige achtergrond ben ik de Hollandse Zending, het Vaticaan en de Republiek gaan zien als complexe organisaties zonder duidelijke machtscentra. Geen van deze entiteiten had de middelen om eenheid van bestuur te bewerkstelligen. Daardoor ontstonden voortdurend gelegenheidscoalities: tijdelijke verbanden tussen personen en groepen uit verschillende politieke, bestuurlijke, maatschappelijke en ook kerkelijke eenheden. De verschillen tussen hen waren groot, vaak onoverbrugbaar en het wantrouwen was fors. Toch ontstonden ze omdat ze, veelal tijdelijk, een gedeeld belang hadden, bijvoorbeeld een gemeenschappelijke tegenstander.”
Geen enkele partij had de macht om eenheid af te dwingen. Wat resteerde waren tijdelijke coalities, gebaseerd op gedeeld belang en wederzijds wantrouwen.
Om welke kwesties draaiden die conflicten en coalities?
“In de eerste twee decennia van de achttiende eeuw draaide het om vier kwesties. Ten eerste een moraaltheologisch conflict over de verhouding tussen de zondeval en de vrije wil. De hiermee verbonden pastorale kwestie ging over de bediening van sacramenten als de biecht en het heilig oliesel, en ook over de rol van de priesters.
De ecclesiologische/kerkpolitieke strijd, ten derde, concentreerde zich op het primaat van de paus in relatie tot de bestuurlijke zelfstandigheid van de kerkprovincies, en allengs ook op de vraag of de clerus haar eigen bisschop mocht kiezen.
De staatkundige polemiek, ten slotte, ging over de (on)wenselijke invloed van regenten en pensionarissen op de gang van zaken binnen de Hollandse Zending. Zo was de admissie van prelaten door de bestuursorganen van de Republiek een terugkerend strijdpunt. Die kwestie was voor de partijen uit de Republiek het belangrijkst, maar via coalities raakten zij ook betrokken bij de andere drie.”
U stelt dat het Schisma uiteindelijk ongewild was. Dat klinkt paradoxaal.
“Dat is het ook. Al schrijvende kwam ik tot de conclusie dat het Schisma onnodig, ongewild en zelfs onbedoeld was. Toch is het Utrechtse vicariaat vanaf circa 1700 op een spoor terechtgekomen dat een kerkscheuring vrijwel onafwendbaar maakte. De verkiezing van een eigen bisschop was de bekende druppel. De Utrechtenaren hebben tot het laatste moment geprobeerd excommunicatie te voorkomen.. Pogingen om hen van dat pad af te krijgen waren nauwelijks serieus te nemen. Het Vaticaan wilde geen concessies doen, het Haarlems Kapittel was niet geneigd de Utrechtse cleresie tegemoet te komen en de regenten weigerden in te grijpen, ofschoon ze wel sympathie hadden voor de Utrechters.”
Wat leert deze geschiedenis ons over religieuze verscheidenheid in de Republiek?
“Ze laat zien hoe pluriform ‘ons’ land toen al was. Tot de Opstand waren de Nederlanden katholiek, daarna formeel protestants maar feitelijk multireligieus. Een aanzienlijk deel van de bevolking boven de Moerdijk is katholiek gebleven. In Amsterdam was dat 20%, naast een Joodse natie, die 10% in omvang was.
Vanaf het midden van de zeventiende eeuw ontstond een zekere normalisatie. Katholieke schuilkerken werden getolereerd en betaalden ‘gewoon’ belasting (recognitiegelden). Op last van de stedelijke regenten beheerde de katholieke burgerij katholieke voorzieningen als het Maagdenhuis. Katholieke kooplieden dreven met enkele protestantse kooplieden handelsondernemingen. Zo nam koopman Gerrit Braamcamp zuidelijk Europa voor zijn rekening en zijn partners de noordelijke landen. Onze historici hebben treffende woorden gevonden om deze manier van samenleven te duiden, zoals: ‘betaald oogluiken’, ‘gepachte tolerantie’, ‘omgangsoecumene’, ‘multi-confessionaliteit’, ‘multireligiositeit’ en ‘ongemakkelijke co-existentie’.
Handtekening van Gerard van Wijckersloot.
Het Plakkaat van de Staten van Holland markeert een belangrijk moment in de multireligieuze natievorming. Hoe zit dat?
“De ecclesiologische en daarmee verbonden staatkundige kwestie kwam op scherp te staan toen een Utrechtse prelaat (Van Erckel) de Staten van Holland zover kreeg een Vaticaangezinde priester (De Cock) te verbannen. Vooral de wijze waarop dit gebeurde is illustratief voor de co-existentie tussen regenten en prelaten. Van Erckel voelde zich in 1702 gerechtigd een concept-Plakkaat voor de (protestantse) Staten van Holland op te stellen; de Staten vaardigden dit vrijwel ongewijzigd uit. De Cock vluchtte het land uit.
In de kern borgde het Plakkaat de jurisdictie van de Hollandse clerus ten opzichte van het Vaticaan, onder de voorwaarde dat de statelijke autoriteiten als hoogste gezag werden erkend. De Staten eisten het recht op om prelaten al dan niet te admitteren en kregen zo grote invloed op de Hollandse Zending, ook op moraaltheologische en pastorale kwesties. Het Plakkaat fungeerde decennialang als richtsnoer voor het handelen van clerus en wereldlijke autoriteiten.
Het streven naar een lokale kerk versterkte de nationale oriëntatie van de clerus; die had de wereldlijke autoriteiten hard nodig. Zo ontstond geleidelijk een nationaal getint narratief dat niet exclusief protestants was, hoe moeizaam de multiconfessionele co-existentie soms ook bleef. Faith on the margins, de titel van het boek van Charles Parker, is in dat licht betwistbaar. Het stelsel van ‘betaald oogluiken’ en ‘gepachte tolerantie’ maakte gaandeweg plaats voor erkenning en acceptatie, al bleef repressie een constante dreiging voor de katholieke clerus.”
Hardvochtige Vaticaanse politiek
Het volgende voorval bevestigt dat het Vaticaan meer dan eens koos voor een harde aanpak om het verzet van de clerus te breken. Van Wijckersloot werd ervan beticht een refractariër te zijn, een weerspannige. Dat was een ernstige beschuldiging, die Rome vaak liet vergezellen van forse sancties. Zo liep hij het risico de sacramenten niet meer te mogen bedienen.
Van Wijckersloot stak zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken. Hij zou juist een anti-refractariër zijn. Dankzij zijn goede relatie met de Brusselse nuntius Santini wist hij zich vrij te pleiten. Santini liet het Vaticaan weten dat Van Wijckersloot een van de verstandigste, vroomste en meest aan de Heilige Stoel onderworpen priesters van Amsterdam was.
De feiten lagen overigens wat anders. Met dit voorval bevestigde hij in Rome zijn reputatie als Monsieur le Double.
De geschiedenis van de Hollandse Zending laat zien hoe moeilijk, maar ook hoe noodzakelijk het is om ruimte te geven aan religieuze verschillen.
Tot slot: ziet u parallellen met het heden?
“Ja, die zijn er zeker. Begin eenentwintigste eeuw heeft de Nederlandse bisschoppenconferentie – het permanente bestuursorgaan van de katholieke kerkprovincie – een rigoristische wending gemaakt. Zij opteert voor een kleine, gesloten kerkgemeenschap. Dat vertoont overeenkomsten met de keuze van de Utrechtse clerus in 1723, met dien verstande dat de bisschoppen binnen de katholieke wereldkerk willen blijven. Een gevolg is dat de kerkprovincie binnen Nederland in een isolement dreigt te raken. Een periode van faith on the margins lijkt daarmee aangebroken, zij het zonder dat repressie op de loer ligt.
De Oud-Katholieke Kerk heeft ondertussen een moderniseringsslag gemaakt en heeft als het ware het aggiornamento van paus Johannes XXIII overgenomen. De twee kerkgenootschappen lijken daarmee van pad te zijn gewisseld. Het kan verkeren. Wat hun toekomsten gaan brengen, zal de komende decennia geschiedenis worden.
Juist in dat spanningsveld tussen verleden en heden biedt Monsieur le Double een scherp en gelaagd perspectief. Door de gebeurtenissen rond de Hollandse Zending en het Utrechtse Schisma te volgen, wordt zichtbaar hoe oude keuzes en structuren tot ver in onze tijd doorwerken. Wie wil begrijpen hoe religieuze identiteit, politieke macht en dubbele loyaliteiten zich tot elkaar verhouden, vindt in dit boek volop stof tot nadenken.”