“Politiek bezien waren Amsterdamse kooplieden in de 18e eeuw mannen van het tweede plan,” schrijft Cees Paardekooper in 'Kooplieden en stadspolitiek'. “De meesten hadden geen ambitie om zich als regent met de politiek in te laten.” Toch gebeurde precies dat: vanaf circa 1740 betraden kooplieden af en toe het centrum van de stedelijke macht in Amsterdam.
Niet omdat ze zichzelf als politicus zagen, maar omdat de druk van handel, belastingen en stadsbestuur hen daartoe dwong. Ze eisten meer invloed op het stedelijk bestuur en kwamen daarmee terecht in een periode van revoltes, staatsgrepen en regimewisselingen in de stadstaat Amsterdam.
Deze plek vormt een soort microkosmos van de Amsterdamse handelswereld.
Zes kooplieden aan de Ygracht
Kooplieden en stadspolitiek volgt zes koopmansfamilies die actief waren rond de Ygracht, tegenwoordig de Prins Hendrikkade. Deze plek vormt een soort microkosmos van de Amsterdamse handelswereld.
“Het kleinbeeld van de Ygracht geeft een waaier aan verschillende gezichtspunten,” blijkt uit de beschrijving van het boek. “Zij zagen de handelsbewegingen die zich vanuit het IJ wereldwijd vertakten, maar tegelijkertijd wortelden zij steeds dieper in de gangen en hallen van het Paleis op de Dam.”
Die dubbele beweging – internationaal handelen én lokaal verankerd zijn in de macht van de stad – vormt de kern van het verhaal. De Ygracht fungeert zo niet alleen als geografisch decor, maar als symbool van een economie die zowel lokaal als mondiaal is.
Kooplieden wensten veranderingen in het politieke regime van de stad en wilden meer ruimte voor hun rol als ondernemer, familiehoofd en stedelijk burger.
Van handel naar macht: waarom kooplieden politici werden
De meeste kooplieden wilden zich in eerste instantie juist níét met politiek bezighouden. Toch kwamen ze er onvermijdelijk in terecht. Ze wensten veranderingen in het politieke regime van de stad en wilden meer ruimte voor hun rol als ondernemer, familiehoofd en stedelijk burger. Dat botste met het bestaande regentenpatriciaat en met gevestigde belangen. “Ze eisten handelingsruimte om hun rol als pater familias, ondernemer, gelovige, stadsbewoner en bestuurder te kunnen spelen,” vat het boek samen.
Daarmee werden kooplieden, vaak tegen wil en dank, politieke actoren, veelal tijdelijk en in deeltijd.
Koopmansfamilisme: familie, kapitaal en strategie
Een koopman was veel meer dan een handelaar. Hij was ook verzekeraar, financier, organisator en risicomanager. Die veelzijdigheid maakte hem tot een spilfiguur in de stedelijke economie. In moderne termen zou je zeggen dat deze kooplieden zowel eigenaar, bestuurder als uitvoerder tegelijk waren – een vroege vorm van geïntegreerd ondernemerschap.
Zij werden aldus Paardekooper gedreven door het zogenoemde “koopmansfamilisme”. Daarmee wordt bedoeld dat de drie-eenheid familie, kapitaal en ondernemerschap hun narratief en handelingsperspectief richtte. Ze waren eropuit hun familiebedrijven te laten bloeien en het aanzien van hun families te vergroten. Hierbij ging het hen niet primair om winst maken, maar om continuïteit. Hun bedrijven, vermogens en aanzien moesten immers worden overgedragen aan volgende generaties.
Vandaar dat kredietwaardigheid, prudentie en gecalculeerde risico’s nemen hun koopmanschap bepaalden. Hierdoor waren zij bij uitstek de veroorzakers en verspreiders van de stedelijke welvaart. Vandaar dat ze ook een verantwoordelijkheid voelden voor het functioneren van de stedelijke samenleving, en daartoe ook publieke ambten wilden bekleden. Temeer omdat ze van mening waren dat de stedelijke regenten de belangen van de koophandel en de stad onvoldoende behartigden. Ze gedroegen zich niet als koopman-dominee, maar als koopman-burger.
De koopliedenklasse vond dat de stedelijke regenten hun belangen lang niet altijd behartigden. Alle reden dus om zich met de stedelijke politiek te bemoeien.
Regenten versus kooplieden in tijden van politieke turbulentie
De koopliedenklasse vond dat de stedelijke regenten hun belangen lang niet altijd behartigden. Het ging hen om het bevorderen van de vrijhandel, vandaar hun verzet tegen handelsmonopolies en beperkingen van organisaties zoals de VOC. Ook hadden ze aanmerkingen op het beheer van instituties als de Wisselbank en de beurs. Die moesten betrouwbaar zijn. Daarnaast was er veel kritiek op de hoogte en vooral de wijze van inning van de belastingen. Dat de regenten heel veel ambten bezetten was voorts een steen des aanstoots. Daar kwam nog bij dat de regenten onvoldoende zorg hadden voor de stedelijke infrastructuur (havens, kades, verbindingen met het achterland, met de zee). Dat de stedelijke regenten hun belangen in Den Haag onvoldoende behartigden was een laatste belangrijk kritiekpunt.
Alle reden dus om zich met de stedelijke politiek te bemoeien, en dat in een tijdvak van politieke turbulentie en zelfs regimewisselingen.
Eeuw van democratische revoluties
De achttiende eeuw staat bekend als de eeuw van de democratische revoluties, met Amsterdam als een strijdtoneel, in 1747 en 1748, 1787, 1795-1798 en 1813. Revoluties die tot doel hadden het bestuur (enigszins) te democratiseren, verkiezingen te introduceren en de trias politica in te voeren. Vanaf eind jaren tachtig wilden de Bataven bovendien de oude federale republiek transformeren tot een ondeelbare staat die was gebaseerd op de idealen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hierover werd niet alleen fors gedebatteerd, maar ook en vooral politieke strijd gevoerd.
Ook de zes kooplieden, de één meer dan de ander, raakten betrokken bij revoltes, revoluties en staatsgrepen. Anders dan bijvoorbeeld de Doelisten en de Bataven was hun politieke inzet gematigd en hun politieke optreden getemperd. Ze bleven immers op de eerste plaats koopman. De wereld van de handel was hun veld van eer, niet de politieke arena of de ideologisch gekleurde sociëteiten.
Sommige kooplieden zijn daadwerkelijk politieke ambten gaan vervullen, maar altijd in deeltijd en tijdelijk.
Paardekooper geeft uitvoerige beschrijvingen van de politieke activiteiten van de verschillende kooplieden, en laat zien dat sommigen daadwerkelijk politieke ambten zijn gaan vervullen, bijvoorbeeld als vroedschap, gekozen raadslid en zelfs adjunct burgemeester, maar altijd in deeltijd en tijdelijk. Hun politieke inzet was erop gericht dat het bestuur de koophandel en zeevaart actief bevorderde door te zorgen voor een goede stedelijke infrastructuur, veiligheid en modern geformuleerd een goed ondernemingsklimaat. Een serieuze bijdrage aan de constituering en instituering van de staat hebben ze nauwelijks geleverd. Ze bleven mannen van het tweede plan.
Relevantie voor nu?
De eeuw van de democratische revoluties is nog altijd een leerschool voor nu. Het biedt een scala aan voorbeelden van geslaagde en mislukte democratische vernieuwingen. Paardekooper geeft een keur aan voorbeelden van demonstraties en bezettingen (van het stadhuis!), van petities en rekesten, van politieke ideeënvorming en coalitievorming, van verkiezingen en referenda, van opstellen en herzien van grondwetten,
Meer weten?
Benieuwd naar hoe Amsterdamse kooplieden tussen 1740 en 1840 invloed uitoefenden op het stadsbestuur en hoe familie, kapitaal en politiek in elkaar grepen? In Kooplieden en stadspolitiek van Cees Paardekooper ontdekt u alles over de wereld achter de grachten, pakhuizen en politieke macht. Bekijk ook de video hieronder, waarin Cees vertelt over zijn boek.