Op 13 oktober 2026 was in het Telders Auditorium van de Universiteit Leiden de boekpresentatie van 'Retour Westerbork' van Mark Goedhart. Tijdens de bijeenkomst gaf Mark een lezing over Ilse Leembruggen-von Lieben; de tekst daarvan vindt u hier.
Click here to read this article in English.
Vanavond wil ik graag samen met u een monument oprichten voor een bijzondere maar onbekende vrouw: Ilse Caroline Wilhelmine Leembruggen-von Lieben. Op internet of in geschiedenisboeken is maar weinig over haar te vinden. Ze staat bekend als oorlogsslachtoffer en heeft een paar beroemde familieleden, dat is het wel zo’n beetje. Zij is in de mist van de geschiedenis verdwenen. Vanavond wil ik haar in de schijnwerpers zetten en haar met een boek aan de vergetelheid onttrekken.
Een Weense barones op een veeboerderij in Leiderdorp
U vraagt zich misschien af: hoe komt deze mijnheer Goedhart, die geen enkele binding heeft met de familie Leembruggen, op dit onderwerp.
Dat zit zo.
Het begint allemaal bij boerderij de Boomgaard aan de Achthovenerweg 9 te Leiderdorp. Het is nu een rijksmonument, maar het was ooit een veehouderij die sinds het begin van de 19e eeuw werd verpacht aan de familie Goedhart. Mijn vader is geboren en getogen op die boerderij. Ik ontdekte dat de veehouderij vanaf 1939 in handen was van ene Ilse Leembruggen-von Lieben. Tot 1942 was zij de eigenares, daarna 6 jaar niet en vanaf 1948 weer wel. Ik kon er geen touw aan vastknopen, wat moest een Weense barones met een veehouderij in Leiderdorp? De zoektocht begon.
Wenen aan het eind van de 19e eeuw
Ilse Leembruggen werd in 1873 in Wenen als Ilse Lieben geboren. Ze was de dochter van Joodse bankier Leopold Lieben en barones Anna Todesco. Om iets van haar achtergrond te begrijpen neem ik u even mee naar het eind van de 19e eeuw. Wenen was toen de keizerlijke hoofdstad van het Habsburgse Rijk: vijftig miljoen inwoners en een lappendeken van culturen en talen.
Het katholieke Wenen telde toen twee miljoen inwoners en behoorde, naast New York, Warschau en Boedapest, ook tot de grootste Joodse steden ter wereld. 10% van de inwoners was Joods, met aan de ene kant een liberale geassimileerde en geseculariseerde elite en aan de andere kant een grote groep arme orthodoxe Oost Europese Joden die gevlucht waren voor de pogroms in Rusland.
Het katholieke Habsburg was al 500 jaar een bolwerk van antisemitisme. Zo hadden de joden zogenaamd de waterbronnen vergiftigd, of katholieke symbolen ontheiligd of rituele kindermoorden gepleegd. Keizerin Maria Theresa – we zitten dan in de 18e eeuw – wilde alleen dan met Joden spreken als ze achter een kamerscherm zaten, zodat ze hen niet hoefde aan te kijken.
Politieke en economische doorbraak voor joden
De 19e eeuw was voor de Joodse gemeenschap in twee opzichten een doorbraak. In de eerste plaats politiek: de filosofie van de verlichting en de opkomst van de wetenschap maakte dat het antisemitisme zijn scherpe kantjes verloor. Vlak voor Ilses geboorte - 1873 - kregen de Joden in Wenen voor het eerst burgerrechten. Een politieke doorbraak dus.
In de tweede plaats economisch: de Joodse elite profiteerde sterk van de industriële revolutie. Niet de traditionele gilden of de oude landadel werden het gezicht van de nieuwe economie maar de Joodse handelaren en bankiers die nooit land hadden mogen bezitten of een weefgetouw bedienen. Het was een periode waarin deze nieuwe burgerij in korte tijd wanstaltig rijk kon worden en het merendeel van die nieuwe miljonairs was van Joodse komaf. Tegelijkertijd waren duizenden handwerkslieden brodeloos gemaakt en de Joden kregen dat op hun brood.
Het antisemitisme laait op
In het laatste kwart van de 19e eeuw ontstond in Wenen een fel antisemitisme waarbij Joden opnieuw het mikpunt werden van discriminatie en uitsluiting. Kapitalisme was ineens een Joodse uitvinding geworden en de Joden waren de schuld van de armoede onder de middenstand en het proletariaat.
Voor mij was dit de eerste grote verrassing bij mijn onderzoek. Ik had het vooroorlogs antisemitisme altijd met Duitsland geassocieerd, maar in Hitlers geboorteland was het buitengewoon agressief, fel en breed gedragen onder de bevolking. Het was de tijd waarin het zionisme werd geboren. De grondleggers raakten ervan overtuigd dat aanpassing en assimilatie geen bescherming boden tegen Jodenhaat. De Dreyfus affaire was voor hen het kantelpunt.
Antisemitisme was voor Ilse dus een bekend fenomeen en toen het haar tijdens de tweede wereldoorlog opnieuw overkwam moet ze aan haar jeugd in Wenen hebben teruggedacht. Ze wist hoe je in een vijandig milieu moest overleven en hoe je soms met de duivel moest dansen.
Nieuwe joodse liberale elite: de wereld aan Ilse’s voeten?
De ouders en grootouders van Ilse behoorden tot de nieuwe Joodse liberale elite en in het boek leg ik uit waar ze die rijkdom vandaan hadden. Ze lieten het ook breed hangen. In tegenstelling tot Amsterdamse kooplieden die hun rijkdom verstopte achter smalle grachtenpanden werd in Wenen flink uitgepakt. Het Todesco-paleis tegenover de opera is daar een sprekend voorbeeld van. Toen haar vader in 1915 overleed liet hij een vermogen na van in waarde van vandaag 200 miljoen euro. Zijn testament dat ik heb ingezien was vijf centimeter dik.
Je zou zeggen, met zoveel geld lag de wereld voor Ilse open, maar ze was een vrouw, en voor bourgeois vrouwen was in het katholieke Habsburg geen plaats in de mannenwereld van politiek, bedrijfsleven of universiteit. Oostenrijk was een van de laatste landen in Europa die de Universiteit opende voor vrouwen. Voor rijke vrouwen wachtte een bestaan van het ‘verfijnde nietsdoen’. Uiteraard hoefde Ilse zich nooit met het huishouden bezig te houden - daar was personeel voor - maar voor de rest leefde ze in een gouden kooi. De kledingstijl symboliseerde die onderdrukking omdat vrouwen ook letterlijk werden ingesnoerd. Ze waren gauw een uur doende om acht lagen kleding aan te trekken en het hele pakket woog gauw vijf tot tien kilo. Toen in Amerika de broekmode opkwam werd dat door de Weense kranten weggehoond. Als vrouwen konden rennen, zouden ze ook wegrennen van hun plichten, schreven de kranten. De moraal was verstikkend. Vrouwen mochten mannen geen hand geven en ze alleen begroeten met een knikje of een lichte buiging en nooit als eerste het woord nemen. Zelfs de schijn van onkuisheid kon Ilse’s reputatie verwoesten. Voor mannen was dat geheel anders. Daar stonden in Wenen 30.000 prostituees klaar om jonge jongens in de wijden in de geheimen van de seksualiteit.
Psychische problematiek door sociale uitsluiting
Tegenover de extreme rijkdom stond dus het felle antisemitisme en de complete uitsluiting van rijke vrouwen uit de mannenmaatschappij.
Bij veel van die rijke vrouwen leidde de maatschappelijke uitsluiting tot psychische klachten. In Ilses familie kwam dat veelvuldig voor, zoals bij haar moeder, die verslaafd raakte aan de morfine en jarenlang door Sigmund Freud werd behandeld voor - wat hij noemde - hysterie. Hij schreef er een boek over, waarin hij Ilses moeder als voorbeeld opvoerde van hysterie. Voor Ilse betekende dat dat ze haar moeder nauwelijks zag. Een echt gezin was het niet.
Ontmoeting met vijfde generatie van de Leembruggen-industriëlen
In 1894 was Ilse von Lieben met haar oma op vakantie en Napels en daar ontmoette ze Willem Adriaan Leembruggen. De vonk sprong meteen over. Willem Adriaan Leembruggen was de vijfde generatie in de directie van Clos en Leembruggen. Paulus Clos en Gerard Leembruggen hadden hun textielbedrijf in 1766 opgericht, een beetje tegen de klippen op, want de 18e eeuw was in Nederland een eeuw van achteruitgang. Leiden had ooit 50.000 inwoners gehad en eind 18e eeuw nog maar de helft.
In het begin was Clos en Leembruggen meer een handelsbedrijf waarbij spinners en wevers thuis aan het werk werden gezet. In de volgende fase van de industrialisatie werden machines in één ruimte bij elkaar gezet, nog aangedreven door paardenkracht. Vanaf ongeveer 1840 kwamen de stoommachines. Pal naast Clos & Leembruggen vestigde zich textielfabrikant Krantz en rondom die twee families ontstond een netwerk van initiatieven waarin Krantz en Leembruggen samenwerkten: de Broodfabriek, het badhuis, de woningbouwvereniging, enz. Later zou blijken dat deze twee families in politiek opzicht een totaal verschillende pad zouden bewandelden, waarbij Krantz het Nationaalsocialisme hartstochtelijk omarmde en de Joodse Ilse Leembruggen juist het slachtoffer werd van die terreur.
Willem Adriaan Leembruggen was vier jaar oud toen zijn moeder aan TBC overleed. Zijn vader bracht de jonge Willem eerst onder bij een tante op het Rapenburg en toen hij een jaar of acht was vertrok hij samen met zijn gouvernante naar Zwitserland om pas op zijn 16e weer in Leiden terug te keren. Hij zou later met bitterheid op zijn jeugd terugkijken en zijn vader veel verwijten maken over de liefdeloosheid die hij had ervaren.
Een gelukkig gezinsleven
Ilse von Lieben en Willem Adriaan Leembruggen trouwden in Wenen in 1895. Ilse was kort daarvoor uit de Joodse gemeente getreden en had zich protestants-christelijk laten dopen. Uit hun brieven blijkt dat ze dol op elkaar waren en Ilses vader was verguld met zijn eerste schoonzoon. Willem was dan wel niet Joods, maar had verder alle vinkjes. In Leiden gingen ze wonen in het ouderlijk huis van Willem aan de Oude Singel, zo’n beetje tussen de fabriek en die van collega Krantz in. Willem had het huis ingrijpend laten verbouwen om het aan te passen aan de wensen van zijn echtgenote. Desondanks was Ilse de eerste tien jaar van hun huwelijk meer in Oostenrijk dan in Leiden. Ze kreeg er vier van hun vijf kinderen en probeerde Willem te verleiden zijn onderneming vanuit Wenen te leiden. Omstreeks 1900 was Wenen immers een smeltkroes van vernieuwende kunst en Wetenschap: Klimt, Mahler, Freud, Ilse kende ze allemaal. Logisch dat ze dat wilde meemaken in plaats van tussen de schoorstenen in Leiden te bivakkeren.
In 1905 overleed de vader van Willem die op de begane grond bij hen inwoonde en dat gaf hen de ruimte om naar Scheveningen te verhuizen, naar de oud Scheveningseweg. De vijf kinderen hadden er alle ruimte en het huis was groot genoeg om ook al het personeel te huisvesten. Er braken vijftien gelukkige jaren aan waarin Willem eindelijk het gezinsleven kreeg dat hij als kind nooit had gehad en waar hij zo naar verlangd had. Het was beslist een prestatie van formaat dat twee mensen met zo’n ongewone jeugd een normaal gezin wisten te vormen.
Belangrijke connecties
Hun vijf kinderen gingen naar een moderne school en Ilse zocht met haar bestuurswerk contact met een groep vooruitstrevende, feministische en pacifistische vrouwen. Eén vrouw zou later van levensbelang voor haar worden: de uit Duitsland afkomstige Lilli Schuster, die getrouwd was met de Schiedamse jeneverstoker van der Schalk. Zij zou tijdens de oorlog een sleutelrol krijgen in het leven van Ilse. Eén ander belangrijk contact werd gelegd door haar jongste zus Henriette. Zij raakte bevriend met de kunstschilder Max Beckmann en Ilse werd zijn protégé. Beckmann en zijn vrouw zouden op hun vlucht voor Hitler in Amsterdam belanden en daar opnieuw het pad van Ilse kruisen.
Een bestuurlijke activiteit van Ilse wil ik er even uitlichten. Die zou er 25 jaar later voor zorgen dat ze van de transportlijst naar Auschwitz werd geschrapt. Na de eerste Wereldoorlog werden tienduizenden Oostenrijkse en Hongaarse kinderen naar Nederland gehaald om hier in gastgezinnen aan te sterken. Ilse zat in het landelijk bestuur dat deze activiteiten coördineerde. Dat was nog niet zo eenvoudig omdat de gastgezinnen meestal een protestants meisje wilde hebben, en die waren in het katholieke Oostenrijk dun gezaaid. Naast bestuurlijke activiteiten had Ilse een gulle hand, waarmee noodlijdende kunstenaars met een toelage werden ondersteund.
Het begin van een nomadisch bestaan
Ondertussen ging het Clos en Leembruggen voor de wind. Met een eigen merk “Leithen wol” en verschillende overnames was het samen met Krantz het grootste Leidse textielbedrijf. Willem Adriaan Leembruggen overleed in 1925. In zijn testament had hij bepaald dat zijn vijf kinderen de aandelen van Clos en Leembruggen zouden erven waarbij zijn zoon Kees een controlerend belang kreeg en daarmee de feitelijke controle over het bedrijf. Ilse kreeg het vruchtgebruik over een kwart van het vermogen. Het bezit omvatte 26 panden in de Leidse binnenstad plus 7 miljoen gulden aan effecten. De vier dochters en zoon waren inmiddels de deur uit en Ilse besloot Den Haag te verlaten en haar dochter Louise achterna te reizen naar München. Ondanks al haar bestuurlijke activiteiten in Nederland voelde ze zich blijkbaar toch meer Duits dan Nederlands. Na een periode van hyperinflatie was het relatief rustig in München en het culturele leven was er in volle bloei.
Het zou voor Ilse het begin worden van een nomadisch bestaan, met Italië als meest geliefde bestemming.
Anschluss: terug naar Nederland
Hitlers machtsovername in 1933 en het afkondigen van de rassenwetten in 1935 waren voor haar geen rede om haar pension in München op te geven. De annexatie van Oostenrijk in 1938, de zogenaamde Anschluss was dat wel. In Wenen was paniek uitgebroken onder het Joodse volksdeel en van de 200.000 Joodse inwoners verliet driekwart gedwongen het vaderland, met achterlating van huis en haard.
Ilse koos voor Nederland, ze had een Nederlands paspoort en ze hoopte dat Nederland neutraal zou blijven net als tijdens de eerste wereldoorlog. Omdat ze een deel van haar geld naar Nederland wilde verplaatsen leek de aankoop van een boerderij een goede investering.
Haar zoon Kees woonde op dat moment in Den Haag en haar dochter Anna in Hilversum, in een villa die Ilse had betaald. Ilse was in Hilversum toen de oorlog uitbrak. Ze realiseerde zich dat ze nu vastzat in Nederland en dat er van reizen niets meer zou komen.
Registratie als joodse
In januari 1941 werd de registratieplicht ingevoerd en Ilse werd als Jodin geregistreerd, ondanks het feit dat ze het Joodse geloof al in 1895 achter zich had gelaten en getrouwd was geweest met een niet-Joodse man. Voor de Duitse rassenwetten telde immers het geloof van haar vier grootouders en dat was 100% Joods.
Er volgde een periode waarin Joden maand na maand uit het openbare leven werden verdreven. Ilse mocht niet meer reizen, mocht ‘s avonds de deur niet uit, niet meer naar het park of naar het museum en ook haar telefoon werd afgesloten. Daarna kwam het besluit dat Joden niet meer in Den Haag mochten blijven en allemaal naar Amsterdam moesten verhuizen. Ilse schreef zich uit bij het bevolkingsregister en wist haar pension in Den Haag te behouden.
In de zomer van 1942 kwamen de deportaties op gang. Westerbork werd omgebouwd tot “Durchgangslager” en voor de Joodse bevolking brak de alarmfase aan. Tegelijk met de razzia’s en deportaties introduceerde de bezetter een omslachtig en vernuftig systeem waarmee men tijdelijk was vrijgesteld van deportatie, de zogenaamde Sperre. In totaal werden 35.000 van deze Sperres uitgedeeld, de helft door de Joodse Raad en de andere helft door de bezetter zelf. Ook Ilse probeerde er een te bemachtigen. In de eerste plaats was ze protestants gedoopt en dat gaf in principe recht op een Sperre. Pech voor haar was dat de protestantse kerken met de bezetters hadden geregeld dat alleen trouwe kerkgangers in aanmerking kwamen, en dat was Ilse niet. In de tweede plaats was ze – zoals dat heette – gemengd gehuwd, maar omdat Willem Leembruggen al in 1925 was overleden telde dat niet meer mee.
Ondanks Sperre naar Westerbork
Er kwam een andere ontsnappingsroute. Arthur Seyss-Inquart wilde goede sier maken door Nederlandse kinderen een onbezorgde vakantie in Oostenrijk te bezorgen. We zien hem hier - bij uitzondering in burgerkleding – de bleekneusjes uitzwaaien. Hij vond dat Nederlanders die na de eerste wereldoorlog hetzelfde hadden gedaan een Sperre verdienden. Zo kwam Ilse aan het felbegeerde stempel in haar persoonsbewijs. Daarmee leek ze vrijgesteld van deportatie, maar de gele Davidster en alle bijbehorende beperkingen bleven.
Ilse kreeg de Sperre in september 1942 en de kou leek even van de lucht. Eventjes maar, want op zaterdag 16 januari 1943 was het raak. In Den Haag waren ophaalploegen actief die met adreslijsten in de hand langs de deuren gingen om Joden op te halen. Ze moest zelf haar treinkaartje naar Westerbork betalen, twee gulden en zestig cent voor een enkele reis. Ze kwam in een barak met 500 mensen, mannen aan de ene kant en vrouwen en kinderen aan de andere kant. Meteen die maandag al vertrok er een trein naar Auschwitz en ze kon meteen mee. Haar transportdatum werd op haar Joodse Raad kaart bijgeschreven. Maar door een wonder wordt ze van de transportlijst gehaald, waarschijnlijk omdat haar 40.000 stempel haar een kandidaat maakte voor Bergen Belsen of Theresienstadt en niet voor de gaskamers van Auschwitz.
Hulp van de Beckmanns
Het wordt nu tijd om het echtpaar Beckmann ten tonele te voeren. Max Beckmann was een in Duitsland gevierd kunstschilder die Duitsland in 1938 was ontvlucht omdat zijn schilderijen volgens Hitler ‘foute’ kunst waren. Ze huurden een atelier aan het Rokin te Amsterdam en in de jaren 1940 en 1941 had Ilse het echtpaar Beckmann met een maandelijkse toelage onderhouden. Voor hen was ze ‘tante Ilse’ en een belangrijk houvast in oorlogstijd want als gevluchte Duitser had Beckmann in Nederland weinig vrienden. Een beroemd zelfportret dateert uit 1941 en dus in zekere zin met geld van Ilse tot stand gebracht. Het is het enige schilderij dat het Stedelijk Museum Amsterdam tijdens de oorlog van Beckmann aankocht, drie dagen voordat Hitler zelfmoord pleegde. De directeur was bang dat zijn geld na de oorlog niets meer waard zou zijn en kocht daarom in arren moede een van de 200 schilderijen die Beckmann in Amsterdam vervaardigde.
Het echtpaar Beckmann was nauw bevriend met de kunsthistoricus Erhard Göpel die in Den Haag was aangesteld om kunst in te kopen voor het museum dat Hitler in Linz wilde oprichten. Hij deed zaken met Joodse kunsthandelaren die hij bescherming beloofde in ruil voor kunst. Hij had dus toegang tot de hoogste regionen van de Gestapo om zijn Joodse leveranciers in leven te houden. Mensenlevens ruilen voor kunst, dat was zijn businessmodel. Zo roofde hij in totaal 900 schilderijen voor Hitlers museum.
Het intensieve contact tussen Hitlers kunstrover Erhard Göpel en de voor Hitler gevluchte kunstschilder Beckmann was voor mij een grote verrassing en datzelfde gevoel van verwarring zou mij nog een paar keer overkomen. In mijn onderzoek stuitte ik keer op keer op “foute vriendschappen” tussen mensen die elkaar politiek gesproken naar het leven stonden.
Vrijgekocht met een schilderij
Precies op de dag dat Ilse wordt opgepakt was Erhard Göpel te gast bij de Beckmanns. Hij was daar regelmatig. Het nieuws had hen nog niet bereikt. Dat verandert toen de Beckmanns op maandag 18 januari – dus twee dagen nadat Ilse was opgepakt - gebeld werden door Anna Leembruggen, de dochter van Ilse. Het nieuws slaat bij hen in als een bom. Beckmann is totaal overstuur en pas om vijf uur ’s nachts helpen slaapmiddelen hem om wat te kalmeren.
Meteen de volgende ochtend – het is dan dinsdag 19 januari 1943 - belt zijn vrouw met Erhard Göpel en vraagt hem iets voor Ilse te doen. Göpel is juist in die week druk bezig voor zijn ‘kunstjoden’ en heeft er 25 op een lijstje staan om beschermd te worden. Hij zegt dat hij niets kan doen zonder een schilderij; dat is immers zijn legitimatie om Joden vrij te krijgen. Mevrouw Beckmann belt daarna Anna met dat nieuws en Anna denkt meteen aan een schilderij van Aert van der Neer dat Ilse in bruikleen heeft gegeven aan museum de Lakenhal in Leiden. Ze belt het museum om de bruikleen te beëindigen en meldt dat bij Göpel.
Die kan naar zijn baas stappen om te regelen dat Ilse vrij kan komen. De volgende dag is Ilse weer thuis. Het schilderij van Aert van der Neer wordt in november van dat jaar via een veiling opgekocht door één van Göpels bevriende kunsthandelaren. Een nazaat van Ilse heeft die verkoop recentelijk via de rechter aangevochten.
Onderdak bij een pro-Duitse familie
Ze kon niet meer terug naar het pension waar ze was weggehaald en vond onderdak bij een Duitsgezinde familie aan het Zuidwerfplein in Den Haag, De eigenaar was door Seyss-Inquart benoemd tot lid van de Hoge Raad, dus daar zou de Gestapo vast niet aanbellen.
Eén maand later werden al haar eigendommen uit haar vorige verblijf verwijderd. Dat gebeurde overal. Overal waar joden waren gedeporteerd werd hun meubilair naar Duitsland gebracht. Zo gingen in totaal meer dan een miljoen spoorwegwagons aan spullen naar Duitse pakhuizen en in sommige gevallen naar Duitse gezinnen die door geallieerde bombardementen waren getroffen. Men noemde dat Liebesgaben. Gelukkig had Ilse veel van haar schilderijen in Leiden verborgen in de fabriek. Het verhuis werk werd gedaan door de firma Puls, zodat het leegroven van de huizen in de volksmond pulsen ging heten. Ook Ilse was gepulst.
Ondertussen bij de familie Krantz
Dat Ilse een Davidster moest dragen en slachtoffer was geworden van deportatie was ook de Leidse familie Krantz ter ore gekomen. De textielfabrikanten Leo en Adriaan Krantz, buren en concollega’s van Leembruggen, waren midden jaren dertig gevallen voor de verleidingen van het nationaalsocialistisme. Deze heilsleer staat nu voor dood en verderf, maar had in de jaren dertig grote aantrekkingskracht: het was stoer, viriel, romantisch, energiek, daadkrachtig en visionair. Leo was fanatiek NSB’er en hoofdsponsor van de partij, zijn broer Adriaan was meer een meeloper. Hij had in Duitsland gestudeerd, was getrouwd met een Duitse vrouw en vond alles wat uit Duitsland kwam mooi.
Adriaan Krantz was goed bevriend met Ernst Schwebel, die namens Seyss-Inquart toezicht hield in Zuid-Holland, een soort commissaris van de koning. Ze dronken veel kopjes koffie en Adriaan ging zo ver dat hij Schwebel tipte dat een zogenaamd studenten verzetsgroepje bijeenkwam op het adres van een Joodse bakker. Het verzetsgroepje bleek niet te bestaan, maar de hele bakkersfamilie werd opgepakt en vergast. Het zou Adriaan na de oorlog vijf jaar gevangenisstraf opleveren.
Broer Leo Krantz zat dicht bij de macht. Hij was lid van de door Rost van Tonningen aangestuurde commissie Woltersom die de Nederlandse industrie moest omvormen naar Duits model en hij deed dat samen met de Rotterdamse tycoon KP van der Mandele, die we straks nog tegen gaan komen. De textielfabriek van Krantz bleef doordraaien als zogenaamd Sperr-betrieb, zodat het Duitse leger van kleding kon worden voorzien.
Wederzijdse steun
Via hun uitstekende contacten bij het gezag in Den Haag probeerden de broers Leo en Adriaan Krantz om Ilse buiten de Duitse regels te houden. Na de oorlog deden Ilse en haar zoon Kees Leembruggen op hun beurt hun best om de broers strafvermindering te bezorgen. Zij meenden dat Ilse haar leven aan hen te danken had.
Maar of Krantz ook werkelijk de drijvende kracht was achter de vrijlating van Ilse waag ik te betwijfelen. Ik geef Max Beckmann wat dat betreft meer krediet. Dat Ilse probeerde om Krantz als redder naar voren te schuiven moet veel meer worden verklaard uit de vriendschap die zij had met Grete Krantz, de vrouw van Adriaan Krantz. Het was volgens mij een vriendendienst en bovendien niet onwaar, want Krantz had zeker zijn best gedaan om iets voor elkaar te krijgen.
Bevrijd van de Davidster
We zijn in de tijdlijn nu in het voorjaar van 1943 aangekomen. Ilse woonde formeel in Den Haag maar was meer bij haar dochter Anna in Hilversum. Ze droeg de gele ster en moest zich gedeisd houden. Door haar Westerbork ervaring wist ze dat haar Sperre niet zoveel voorstelde.
Precies in die periode veranderde het Duitse denken over gemengd gehuwden. Er was steeds al gedoe geweest over die groep omdat veel gemengd gehuwde Duitsers Hitler weliswaar van harte wilde steunen maar geen zin hadden om hun partner kwijt te raken. In het voorjaar van 1943 deed gedwongen sterilisatie zijn intrede. Gemengd gehuwde vrouwen die niet meer geacht werden kinderen te kunnen krijgen werden vrijgesteld van de meeste anti Joodse maatregelen, waaronder de sterplicht.
Ilse had inmiddels haar zeventigste verjaardag gevierd en in augustus 1943 kreeg zij haar nieuwe persoonsbewijs en mocht zij de gehate Davidster afdoen. Ze was er dolgelukkig mee en haar zoon Kees nam haar meteen mee voor een korte vakantie op de Veluwe.
Vergeldingsactie voor onderduik Anna en dochters
Haar dochter Anna uit Hilversum was minder gelukkig. Door haar huwelijk met de Joodse Maurits Kann hadden haar vier dochters drie Joodse grootouders en dat maakte ze vol Joods. Zelf was ze half joods en niet ster plichtig, maar haar kinderen waren dat wel.
Lang was ze erin geslaagd haar kinderen te beschermen maar nadat de meeste Joden al uit Hilversum waren afgevoerd waren ook haar dochters aan de beurt. Op 1 oktober 1943 deed de Hilversumse politie een inval in haar woning. Ze troffen het huis in wanorde aan, etensresten in de keuken en overal kleding over de vloer, maar geen Anna en geen dochters. Ze waren een dag ervoor getipt en in onderduik gegaan. De tipgever was haar vriend en Joodse Raad voorzitter David Cohen die vlak voor zijn deportatie van Aus der Fünten had gehoord dat de totale liquidatie aanstaande was. Anna kon dus net op tijd wegkomen en in onderduik gaan.
Als represaille werd Ilse nog diezelfde nacht van haar bed gelicht en in de straf barak van Westerbork geplaatst, ondanks haar nieuwe persoonsbewijs. Ze maakte de winter van 43-44 in Westerbork mee om op 25 januari 1944 plotseling te worden vrijgelaten. Haar dochter Anna was namelijk verraden en gearresteerd en daarmee was de gijzeling van Ilse overbodig geworden. De Duitsers hadden nu immers de hoofdprijs te pakken: de moeder van de vier Joodse meisjes.
Opnieuw naar Westerbork
Nu Ilse weer op vrije voeten was moest ze haar leven weer oppakken. Ondertussen ontving Seyss-Inquart weer nieuwe instructies uit Berlijn over de behandeling van gemengd gehuwden. Als gevolg daarvan werden in maart 1944 enige honderden Joden opgepakt en naar Westerbork gebracht. Ook Ilse werd opnieuw gearresteerd. Het betekende een weerzien met haar dochter Anna. In den lande werd massaal geprotesteerd tegen deze nieuwe arrestatiegolf, met name onder de protestantse kerken. Het leek erop dat er fouten waren gemaakt en een deel van de gevangen werd als gevolg daarvan weer snel vrijgelaten. Zo niet Ilse.
Lilli van der Schalk krijgt voet aan de grond bij de SS
Vanaf de jaren dertig had Ilse contact gekregen met mevrouw Lilli van der Schalk, via de vrouw van familie advocaat Rein Bakker. Lilli was actief in de internationale vrouwenbeweging, en streed voor het recht van vrouwen om na het huwelijk hun nationaliteit te behouden. Tijdens een feestje bij advocaat Bakker en zijn vrouw ontmoette Lilli de Rotterdamse voorzitter van de Kamer van koophandel Karel Paul van der Mandele en het klikte tussen die twee. Van der Mandele zette zich in om de Rotterdamse haven na het bombardement weer aan de praat te krijgen en zag de Duitse orders voor de scheepsbouw met genoegen binnenstromen. Zoals zovelen in die eerste oorlogsjaren vond hij dat Nederland de nieuwe realiteit onder ogen moest zien. Hij zat samen met textielfabrikant en NSB’er Leo Krantz in de commissie Woltersom die de Nederlandse industrie ten dienste van Duitsland moest reorganiseren. Lilli was zijn rechterhand en hij gaf haar toegang tot zijn netwerk, o.a. bij oud-premier Colijn. Zij had zowel in Londen als Berlijn uitstekende contacten en was ook vaste gast bij aardsbisschop Jan de Jong.
Toen Hitler - nadat Frankrijk onder de voet was gelopen - aan Engeland een “negotiated peace” wilde aanbieden werd Lilli in Berlijn ontboden om zijn voorstel bij de andere partijen over te brengen. Van de Mandele had haar hoog zitten en zij slaagde erin ook bij Seyss-Inquart een voet tussen de deur te krijgen en dan met name bij Erich Naumann, de op één na hoogste SS-er in Nederland. Ze pleitte bij hem succesvol voor de vrijlating van Jan Herman van Royen, de latere minister van buitenlandse zaken. De chaos van de oorlog maakte het voor Lilli mogelijk om het podium van de internationale politiek te beklimmen. Het moet voor haar een hoogtepunt zijn geweest in haar loopbaan, want na de oorlog moest ze weer tweede viool spelen in de slipstream van haar baas KP van der Mandele.
Hoe Lilli het precies voor elkaar heeft gekregen weten we niet, maar ze heeft Gestapobaas generaal Erich Naumann zover weten te krijgen om Ilse weer vrij te krijgen uit Westerbork.
De laatste oorlogsmaanden
Zo trok daarna enige tijd bij Lilli in huis, om daarna weer door te gaan naar het Zuidwerfplein. In de herfst van 1944 vertrok ze naar Leiden, waar ze een verdieping huurde in het huis van Adriaan en Grete Krantz. Die waren zelf naar Duitsland gevlucht vanwege hun lidmaatschap van de NSB en omdat hun dochter getrouwd was met een SS-er. Maar broer Leo Krantz was in Leiden achtergebleven want de fabriek van Krantz draaide nog op volle toeren.
Dochter Anna zou met de laatste trein op 13 september naar Bergen Belsen vertrekken. Daarna ging ze door na Ravensbruck, waar ze in januari 1945 aan tyfus overleed. Het wrange was dat haar dochters vier dagen na haar vertrek uit Westerbork door de Amerikanen werden bevrijd waarmee de gijzeling van hun moeder overbodig was geworden. De oudste dochter van Anna werd bij die bevrijding door een Duitse kogel om het leven gebracht.
De hongerwinter bracht Ilse in Leiden door. Ze profiteerde van de fabriek van Krantz die aardappelen uit de Wieringermeer liet komen voor de arbeiders. Ook kon de familie af en toe mee-eten op de boerderij van mijn familie. Krantz had ook een grote som geld gedoneerd aan de gaarkeukens in Leiden en dat zal ook hebben geholpen om wat extra eten op tafel te krijgen. Direct na de bevrijding kwam het gezin Krantz weer terug uit Duitsland, zodat Ilse gezelschap had. Ze zou er tot 1950 blijven wonen. Daarna verhuisde naar Den Haag waar haar dochter Louise de zorg op zich nam. In 1961 overleed ze en haar kinderen erfden de boerderij, die in 1973 aan een projectontwikkelaar werd verkocht. De HSL loopt er nu onderdoor.
Gered door welwillendheid
Ik heb Ilse Leembruggen leren kennen als een moderne zelfstandige vrouw, die zich thuis voelde bij de pacifistische en feministische voorhoede van die tijd. Haar kapitaal stelde haar in staat om kunstenaars te ondersteunen en een groot netwerk van vrienden op te bouwen. Ze wist aan Auschwitz te ontkomen, niet omdat ze zelf contacten had bij het naziregime, maar omdat ze vrienden had die zich voor haar inspanden en contacten hadden met mensen als Erhard Göpel, Ernst Schwebel en Erich Naumann. Ze was iemand die anderen graag hielp en op hun beurt sprongen haar vrienden voor haar in de bres. Haar charmante en beminnelijke karakter maakte dat ze overal welwillendheid ontmoette. Die goodwill redde haar leven, al moet ik er meteen bijzeggen dat vele anderen met eenzelfde soort netwerk wel in Auschwitz eindigden. Met haar gulle hand was ze de beschermengel voor velen, maar ze had zelf ook een engel op haar schouder, en wel een hele grote.
Ze doorstond de oorlog onverschrokken, overleefde als 70-jarige de strafbarak van Westerbork en heeft ondanks die ontberingen de schuilplaats van haar kleindochters nooit prijsgegeven. De waardigheid die haar van huis uit was meegegeven wist ze ook onder barre omstandigheden te behouden. Een markante vrouw die een al even markant spoor door de geschiedenis heeft getrokken.
Het was voor mij een bijzondere belevenis om dat spoor terug te volgen en er een boek van te maken, met hulp van haar kleinzoon Philip en haar achterkleindochter Jantien.
Speech delivered by Mark Goedhart at the book launch of ‘Retour Westerbork’ on 13 October 2026
This evening, I would like to join you in erecting a monument to a remarkable yet little-known woman: Ilse Caroline Wilhelmine Leembruggen-von Lieben. Very little can be found about her on the internet or in history books. She is known as a war victim and has a few famous relatives; that is about all. She has vanished into the mists of history. This evening, I would like to put her in the spotlight and rescue her from oblivion with a book.
A Viennese baroness on a cattle farm in Leiderdorp
You may be wondering: how did this Mr Goedhart, who has absolutely no connection to the Leembruggen family, come to choose this subject?
Here’s the story.
It all begins at the farm ‘The Orchard’ (‘De Boomgaard’) at 9 Achthovenerweg in Leiderdorp. It is now a listed monument, but it was once a cattle farm that had been leased to the Goedhart family since the early 19 th century. My father was born and raised on that farm. I discovered that, from 1939 onwards, the cattle farm was owned by a certain Ilse Leembruggen-von Lieben. She was the owner until 1942, then not for six years, and again from 1948 onwards. I couldn’t make head nor tail of it – what on earth was a Viennese baroness doing with a cattle farm in Leiderdorp? The search began.
Vienna at the end of the 19th century
Ilse Leembruggen was born in Vienna in 1873 as Ilse Lieben. She was the daughter of the Jewish banker Leopold Lieben and Baroness Anna Todesco. To give you some insight into her background, let me take you back to the end of the19th century. At that time, Vienna was the imperial capital of the Habsburg Empire. Fifty million inhabitants and a patchwork of cultures and languages.
Catholic Vienna had a population of two million at the time and, alongside New York, Warsaw and Budapest, was one of the largest Jewish cities in the world. Ten per cent of the population was Jewish, with on the one hand a liberal, assimilated and secularized elite and, on the other, a large group of poor, Orthodox Eastern European Jews who had fled the pogroms in Russia.
Catholic Habsburg Austria had been a stronghold of anti-Semitism for 500 years. The Jews were said to have poisoned the water sources, desecrated Catholic symbols and committed ritual infanticide. Empress Maria Theresa – this was in the18th century – would only agree to speak to Jews if they were seated behind a screen, so that she would not have to look at them.
Political and economic breakthrough for Jews
The 19th century marked a breakthrough for the Jewish community in two respects. Firstly, political: the philosophy of the Enlightenment and the rise of science meant that anti-Semitism lost some of its edge. Just before Ilse’s birth, Jews in Vienna were granted civil rights for the first time. A political breakthrough, then.
Secondly, from an economic perspective: the Jewish elite benefited greatly from the Industrial Revolution. It was not the traditional guilds or the old landed gentry who became the face of the new economy, but the Jewish merchants and bankers who had never been allowed to own land or operate a loom. It was a period in which this new bourgeoisie could become obscenely rich in a short space of time, and most of those new millionaires were of Jewish descent. At the same time, thousands of artisans were left destitute, and the Jews were blamed for this.
Anti-Semitism flares up
In the final quarter of the 19th century, fierce anti-Semitism arose in Vienna, with Jews once again becoming the target of discrimination and exclusion. Capitalism had suddenly become a Jewish invention, and the Jews were blamed for the poverty amongst the middle classes and the proletariat.
For me, this was the first major surprise during my research. I had always associated pre-war anti-Semitism with Germany, but in Hitler’s native country it was exceptionally aggressive, fierce and widely held amongst the population. It was the era in which Zionism was born. Its founders became convinced that adaptation and assimilation offered no protection against anti-Semitism. The Dreyfus affair was the turning point for them.
Anti-Semitism was therefore a familiar phenomenon to Ilse, and when it befell her once more during the Second World War, she must have thought back to her childhood in Vienna. She knew how to survive in a hostile environment and how, at times, one had to dance with the devil.
A new Jewish liberal elite: the world at Ilse’s feet?
Ilse’s parents and grandparents belonged to the new Jewish liberal elite, and in the book I explain how they had earned that wealth. They also flaunted it openly. Unlike Amsterdam merchants who hid their wealth behind narrow canal-side houses, in Vienna they really pulled out all the stops, with the Todesco palace as showpiece. When her father died in 1915, he left behind a fortune worth 200 million euros in today’s money. His will, which I have seen, was five centimeters thick.
You might think that, with that much money, the world lay open to Ilse. But she was a woman, and in the Catholic Habsburg society there was no place for bourgeois women in the male-dominated worlds of politics, business or academia. Austria was one of the last countries in Europe to open its universities to women. For wealthy women, a life of ‘refined idleness’ awaited. Naturally, Ilse never had to concern herself with housework – there were servants for that – but otherwise she lived in a golden cage. The style of dress symbolized that oppression, as women were also literally constricted. It could easily take them an hour to put on eight layers of clothing, and the whole ensemble often weighed between five and ten kilos. When the fashion for trousers emerged in America, it was derided by the Viennese newspapers. If women could run, they would also run away from their duties, the newspapers wrote. The moral climate was stifling. Women were not allowed to shake hands with men and could only greet them with a nod or a slight bow; they must never speak first. Even the mere appearance of immorality could ruin their reputation. For men, the situation was entirely different. In Vienna, 30.000 prostitutes stood ready to initiate young men into the secrets of sexuality.
Mental health issues caused by social exclusion
So, alongside extreme wealth lay fierce anti-Semitism and the complete exclusion of wealthy women from male-dominated society.
For many wealthy women, this social exclusion led to mental health issues. This was a common occurrence in Ilse’s family, as was the case with her mother. She became addicted to morphine and was treated for years by Sigmund Freud himself for what he termed ‘hysteria’. He wrote a book on the subject, in which he cited Ilse’s mother as an example of hysteria. For Ilse, this meant she hardly ever saw her mother. It was an unusual family.
Meeting the fifth generation of the Leembruggen industrialists
In 1894, Ilse von Lieben was on holiday in Naples with her grandmother, and there she met Willem Adriaan Leembruggen. They hit it off straight away. Adriaan Leembruggen was the fifth generation of the Leembruggen industrialists. Paulus Clos and Gerard Leembruggen had founded their textile business in 1766, somewhat against the odds, as the 18th century was a period of decline in the Netherlands. Leiden once had 50.000 inhabitants, but by the end of the18th century this number had been reduced by half.
In the early days, Clos and Leembruggen were more of a trading company that employed spinners and weavers to work from home. In the next phase of industrialization, machines were brought together in one building but still powered by horsedrawn machinery. From around 1840, steam engines were introduced. Right next to Clos & Leembruggen, the textile manufacturer Krantz set up shop, and a network of initiatives developed around these two families in which Krantz and Leembruggen collaborated: the bread factory, the bathhouse, the housing association, and so on. It would later transpire that these two families would follow entirely different political paths, with Krantz passionately embracing National Socialism and the Jewish Ilse Leembruggen becoming a victim of that terror.
Willem Adriaan Leembruggen was four years old when his mother died of tuberculosis. His father first sent young Willem to live with an aunt on the Rapenburg, and when he was about eight years old he left for Switzerland with his governess, only to return to Leiden when he was sixteen. He would later look back on his childhood with bitterness and blame his father heavily for the lack of love he had experienced.
A happy family life
Ilse von Lieben and Willem Adriaan Leembruggen were married in Vienna in 1895. Ilse had left the Jewish community shortly before and had been baptized as a Protestant Christian. Their letters show that they were madly in love with one another, and Ilse’s father was delighted with his first son-in-law. Willem may not have been Jewish, but he ticked all the other boxes. In Leiden, they moved into Willem’s family home on the Oude Singel, next to his factory and that of his colleague Krantz. Willem had the house extensively renovated to suit his wife’s wishes. Nevertheless, during the first ten years of their marriage, Ilse spent more time in Austria than in Leiden. She gave birth to four of their five children there and tried to persuade Willem to run his business from Vienna. After all, around 1900, Vienna was a melting pot of innovative art and science: Klimt, Mahler, Freud; Ilse knew them all. It made sense that she wanted to experience that rather than spend her time amongst the chimneys in Leiden.
In 1905, Willem’s father, who had been living with them on the ground floor, passed away, and this gave them the opportunity to move to Scheveningen, on the Oud Scheveningseweg. The five children had plenty of space there, and the house was large enough to accommodate all the staff as well. Fifteen happy years followed, during which Willem finally enjoyed the family life he’d never had as a child and for which he’d longed so much. It was certainly a remarkable achievement that two people with such unusual upbringings managed to form a normal family.
Important connections
Their five children attended a modern school, and through her charity work, Ilse encountered a group of progressive, feminist and pacifist women. One of those women would later prove to be of vital importance to her: Lilli Schuster, originally from Germany, who was married to the Schiedam distiller van der Schalk. She would come to play a key role in Ilse’s life during the war. Another important connection was made by her youngest sister, Henriette. She became friends with the painter Max Beckmann, and Ilse became his protégée. Beckmann and his wife would end up in Amsterdam whilst fleeing Hitler and cross paths with Ilse there once again.
I would like to highlight one of Ilse’s activities. This would ensure, 25 years later, that she was removed from the transport list to Auschwitz. After the First World War, tens of thousands of Austrian and Hungarian children were brought to the Netherlands to recover in host families. Ilse sat on the national board that coordinated these activities. This was no easy task, as most host families usually wanted a Protestant girl, and such girls were few and far between in Catholic Austria. As well as her charity work, Ilse was generous, providing grants to support artists in need.
The start of a nomadic existence
Meanwhile, things were going well for Clos and Leembruggen. With their own brand, Leithen wool’, and various takeovers, they were, together with Krantz, the largest textile company in Leiden. Willem Adriaan Leembruggen died in 1925. In his will, he had stipulated that his five children would inherit the shares in Clos and Leembruggen, with his son Kees receiving a controlling stake and thus de facto control of the company. Ilse was granted the usufruct of a quarter of the estate. The estate comprised 26 properties in the city centre of Leiden, plus 7 million guilders’ worth of securities. The four daughters and son had by then left home, and Ilse decided to leave The Hague and follow her daughter Louise to Munich. Despite all her activities in the Netherlands, she apparently felt more German than Dutch. Following a period of hyperinflation, things were relatively calm in Munich and cultural life there was in full swing.
For Ilse, this was to mark the beginning of a nomadic existence, with Italy as her favourite base.
Anschluss: back to the Netherlands
Hitler’s rise to power in 1933 and the enactment of the racial laws in 1935 were not, for her, reasons to give up her flat in Munich. However, the annexation of Austria in 1938, the so-called Anschluss, was. Panic had broken out amongst the Jewish community in Vienna, and three-quarters of the 200,000 Jewish inhabitants were forced to flee their homeland, leaving their possessions behind.
Ilse chose the Netherlands; she held a Dutch passport and hoped that the Netherlands would remain neutral, just as it had during the First World War. As she wanted to transfer part of her funds to the Netherlands, buying a farm seemed a sound investment.
Her son Kees was living in The Hague at the time and her daughter Anna in Hilversum, in a villa that Ilse had financed. Ilse was in Hilversum when the war broke out. She realized that she was now stuck in the Netherlands and that travelling was no longer an option.
Registration as a Jew
In January 1941, compulsory registration was introduced and Ilse was registered as a Jew, even though she had renounced the Jewish faith as early as 1895 and had been married to a non-Jewish man. After all, under the racial laws, it was the faith of her four grandparents that counted, and that was 100% Jewish.
A period followed in which, month after month, Jews were driven out of public life. Ilse was no longer allowed to travel, was forbidden to leave the house in the evenings, could no longer go to the park or the museum, and her telephone was also cut off. Then came the decision that Jews were no longer allowed to remain in The Hague and all had to move to Amsterdam. Ilse deregistered from the population register and managed to keep her flat in The Hague.
In the summer of 1942, the deportations began. Westerbork was converted into a ‘Durchgangslager’ and a state of emergency dawned for the Jewish population. Alongside the razzia’s and deportations, the occupying forces introduced a cumbersome yet ingenious system whereby people could be temporarily exempted from deportation: the so-called ‘Sperre’. A total of 35.000 of these Sperres were issued, half by the Jewish Council and the other half by the occupying forces themselves. Ilse, too, tried to obtain one. Firstly, she had been baptized as a Protestant, which in principle entitled her to a Sperre. Unfortunately for her, the Protestant churches had agreed with the occupying forces that only regular churchgoers were eligible, and Ilse was not one of them. Secondly, she was, as it was called, in a mixed marriage, but as Willem Leembruggen had died as early as 1925, that no longer counted.
To Westerbork despite the Sperre
Another escape route presented itself. Arthur Seyss-Inquart wanted to score points by giving Dutch children a carefree holiday in Austria. He decided that Dutch people who had done the same for Austrian children after the First World War deserved a ‘Sperre’. This is how Ilse came to have the much-coveted stamp on her identity card. With it, she appeared to be exempt from deportation, but the yellow Star of David and all the associated restrictions remained. Ilse was granted the ‘Sperre’ in September 1942, and for a moment the tension seemed to ease. But only briefly, for on Saturday 16 January 1943, it happened. In The Hague, razzia teams were active, going door to door with lists of addresses to arrest Jews. She had to pay for her train ticket to Westerbork, two guilders and sixty cents for a single journey. She ended up in a barrack with 500 people, men on one side and women and children on the other. That very Monday, a train left for Auschwitz, and she had been selected to board it straight away. Her transport date was noted on her red cross card. But by some miracle, she was removed from the transport list. Probably because her ’40.000’ Sperre made her a candidate for Bergen-Belsen or Theresienstadt rather than for the gas chambers at Auschwitz.
Help from the Beckmanns
This is when the Beckmanns come into play. Max Beckmann was a celebrated painter in Germany who had fled the country in 1938 because, according to Hitler, his paintings were ‘entartete’ art. They rented a studio on the Rokin in Amsterdam, and in 1940 and 1941, Ilse supported the Beckmanns with a monthly allowance. To them, she was ‘Aunt Ilse’ and a vital source of support during the war as Beckmann, a German refugee, had few friends in the Netherlands. A famous self-portrait dates from 1941 and was therefore, in a sense, created with money from Ilse. It is the only painting by Beckmann that the Stedelijk Museum Amsterdam purchased during the war, three days before Hitler committed suicide. The director feared that his money would be worthless after the war and therefore, as a last resort, bought one of the 200 paintings Beckmann produced in Amsterdam.
The Beckmanns were close friends with the art historian Erhard Göpel, who had been appointed in The Hague to purchase art for the museum Hitler intended to establish in Linz. He did business with Jewish art dealers, promising them protection in exchange for art. He therefore had access to the highest echelons of the Gestapo in order to keep his Jewish suppliers alive. Exchanging human lives for art, that was his business model. In this way, he looted a total of 900 paintings for Hitler’s museum.
This close contact between Hitler’s art looter Erhard Göpel and the painter Beckmann, who had fled from Hitler, came as a great surprise to me, and that same sense of confusion was to strike me a few more times. In my research, I repeatedly came across awkward friendships between people who, politically speaking, were mortal enemies.
Ransomed with a painting
On the very day that Ilse was arrested, Erhard Göpel was visiting the Beckmanns. He was a regular guest there. The news of Ilse’s arrest had not yet reached them. That changed when, on Monday 18 January, two days after Ilse had been arrested, the Beckmanns received a phone call from Anna Leembruggen, Ilse’s daughter. The news hit them like a bombshell. Beckmann was completely distraught, and it was not until five o’clock in the morning that sleeping pills helped to calm him down a little. First thing the next morning, by then it was Tuesday 19 January 1943, his wife Quappi rang Erhard Göpel and asked him to do something for Ilse. Göpel was particularly busy that week with his Jewish art-dealers and had 25 names on a list of those to be protected. He told Quappi he could not do anything without a painting; after all, that was his justification for securing the life of Jews. Quappi then rang Anna with the news, and Anna immediately thought of a painting by Aert van der Neer that Ilse had loaned to the Lakenhal Museum in Leiden. She rang the museum to terminate the loan and informed Göpel of this. This paved the way to approach his boss to arrange for Ilse’s release. The next day, Ilse was back home. The painting by Aert van der Neer was purchased at an auction in November of that year by one of Göpel’s art dealer friends. A descendant of Ilse has recently challenged that sale in court.
Shelter with a pro-German family
Ilse could no longer return to her apartment and found shelter with a pro-German family on Zuidwerfplein in The Hague. The owner had been appointed by Seyss-Inquart as a member of the Supreme Court, so the Gestapo would surely not come knocking on his door. One month later, all her possessions were removed from her previous accommodation. This happened everywhere. Wherever Jews had been deported, their furniture was taken to Germany. In total, more than a million railway wagons full of belongings were sent to German warehouses and, in some cases, to German families who had been affected by Allied bombing raids. This was referred to as ‘Liebesgaben’. Fortunately, Ilse had hidden many of her paintings in the factory in Leiden. The moving work was carried out by the ‘Puls’ company, so that the ransacking of houses came to be known colloquially as ‘pulsing’. Ilse, too, was ‘pulsed’.
Meanwhile, with the Krantz family
Word had also reached the Krantz family in Leiden that Ilse had been forced to wear a Star of David and had been deported. The textile manufacturers Leo and Adriaan Krantz, neighbours and fellow entrepreneurs of Leembruggen, had succumbed to the allure of National Socialism in the mid-1930s. This ideology is now synonymous with death and destruction, but it held great appeal in the 1930s: it was tough, virile, romantic, energetic, decisive and visionary. Leo was a fanatical member of the NSB and the party’s main sponsor; his brother Adriaan was more of a follower. He had studied in Germany, was married to a German woman and admired everything that came from Germany.
Adriaan Krantz was good friends with Ernst Schwebel, who oversaw matters in South Holland on behalf of Seyss-Inquart, acting as ‘Beauftragte’. They drank many cups of coffee together, and Adriaan went so far as to tip off Schwebel that a so-called student resistance group was meeting at the address of a Jewish baker. The resistance group turned out not to exist, but the entire baker’s family was arrested and gassed anyway. After the war, this would result in Adriaan being sentenced to five years’ imprisonment.
His brother Leo Krantz was close to the seat of power. He was a member of the Woltersom Committee, led by Rost van Tonningen, which was tasked with restructuring Dutch industry along German lines, and he carried out this work alongside the Rotterdam tycoon KP van der Mandele, whom we shall encounter later. Krantz’s textile factory continued to operate as a so-called ‘Sperr-betrieb’, so that the German army could be supplied with clothing.
Mutual support
Through their excellent connections with the authorities in The Hague, the brothers Leo and Adriaan Krantz tried to keep Ilse outside the scope of anti-Jewish measures. After the war, Ilse and her son Kees Leembruggen, in turn, did their best to secure a reduced sentence for the two brothers. They believed that Ilse owed her life to them. But I doubt whether Krantz was actually the driving force behind Ilse’s release. In that respect, I give Beckmann more credit. The fact that Ilse tried after the war to present Krantz as her saviour can be explained much more by the friendship she had with Grete Krantz, Adriaan Krantz’s wife. It was a favour between friends and moreover, not untrue, for Krantz had certainly tried his best to help.
We are now in the spring of 1943. Ilse was officially living in The Hague but spent more time with her daughter Anna in Hilversum. She had to wear the yellow star and had to keep a low profile. From her experience at Westerbork, she knew that the ‘Sperre’ was not much to speak of.
Freed from the Star of David
During that period, German attitudes towards mixed marriages began to change. There had always been a bit of a fuss about mixed marriages because many Germans in such marriages, whilst wishing to wholeheartedly support Hitler, had no desire to lose their partners. In the spring of 1943, forced sterilization was introduced. Women in mixed marriages who were no longer considered capable of having children were exempted from most anti-Jewish measures, including the obligation to wear the Star of David.
Ilse had by then celebrated her seventieth birthday and, in August 1943, she received that new identity card and was allowed to remove the hated Star of David. She was over the moon about it, and her son Kees immediately took her on a short holiday to the Veluwe.
Reprisal action for Anna and her daughters in hiding
Her daughter Anna from Hilversum however, was less fortunate. Because of her marriage to the Jewish Maurits Kann, her four daughters had three Jewish grandparents, which made them fully Jewish. She herself was half-Jewish and not required to wear the Star of David, but her children were. For a long time she had managed to protect her children, but after most of the Jews had already been deported from Hilversum, it was her daughters’ turn. On 1 October 1943, the Hilversum police raided her home. They found the house in disarray, with food scraps in the kitchen and clothes strewn all over the floor, but neither Anna nor her daughters were there. They had been tipped off the day before and had gone into hiding. The informant had been her friend and Jewish Council chairman David Cohen, who had heard from Aus der Fünten just before his own deportation that the total liquidation was imminent. Anna was therefore able to get away just in time.
Back to Westerbork
In retaliation, Ilse was dragged out of bed that very same night and placed in the punishment barracks at Westerbork, despite her new identity card. She spent the winter of 1943–44 in Westerbork before being suddenly released on 25 January. Her daughter Anna had been betrayed and arrested, rendering Ilse’s detention unnecessary. After all, the Germans now had the main prize: the mother of the four Jewish girls.
Now that Ilse was free again, she had to pick up the pieces of her life. Meanwhile, Seyss-Inquart received further instructions from Berlin regarding the treatment of mixed-marriage couples. As a result, in March 1944, hundreds of Jews were arrested and taken to Westerbork. Ilse, too, was arrested once more. This meant a reunion with her daughter Anna. There were mass protests across the country against this new wave of arrests, particularly amongst the Protestant churches. It seemed that mistakes had been made, and some of those arrested were consequently released quickly. Not so for Ilse.
Lilli van der Schalk gains a foothold in the SS
From the 1930s onwards, Ilse had come into contact with Mrs Lilli van der Schalk, through the wife of the family lawyer, Rein Bakker. Lilli was active in the international women’s movement and campaigned for women’s right to retain their nationality after marriage. During a party at the home of lawyer Bakker and his wife, Lilli met Karel Paul van der Mandele, the Rotterdam chairman of the Chamber of Commerce, and the two hit it off. Van der Mandele was committed to getting the port of Rotterdam up and running again after the bombing and was delighted to see German orders for shipbuilding pouring in. Like so many in those early years of the war, he believed that the Netherlands had to face up to the new reality. Together with textile manufacturer and NSB member Leo Krantz, he sat on the Woltersom Committee, which was tasked with reorganising Dutch industry to serve Germany. Lilli was his personal assistant, and this gave her access to his network, including for instance former Prime Minister Colijn and other high-ranking politicians. She had excellent contacts in both London and Berlin and was also a regular guest of Archbishop Jan de Jong.
When Hitler, after France had been overrun, wanted to offer England a ‘negotiated peace’, Lilli was summoned to Berlin to convey this proposal to the other parties. Van de Mandele held her in high regard, and she managed to gain a foothold with Seyss-Inquart as well as with Erich Naumann, the second highest-ranking SS officer in the Netherlands. She successfully pleaded with him for the release of Jan Herman van Royen, who later became Minister for Foreign Affairs. The chaos of the war enabled Lilli to take center stage. It must have been the highlight of her career, for after the war she was once again reduced to playing second fiddle in the slipstream of her boss, KP van der Mandele.
We do not know exactly how Lilli managed it, but she persuaded Gestapo chief General Erich Naumann to secure Ilse’s release from Westerbork.
The final months of the war
She then stayed with Lilli for a while, before moving on to Zuidwerfplein. In the autumn of 1944, she left for Leiden, where she rented a flat in the house of Adriaan and Grete Krantz. They themselves had fled to Germany because of their membership of the NSB and because their daughter was married to an SS officer. But her brother Leo Krantz had stayed behind in Leiden because the Krantz factory was still running at full capacity.
Her daughter Anna was set to leave for Bergen-Belsen on the last train on 13 September 1944. After that, she was taken to Ravensbrück, where she died of typhoid fever in January 1945. The bitter part was that her daughters were liberated by the American forces four days after her departure from Westerbork, rendering their mother’s captivity unnecessary. Anna’s eldest daughter was killed by a German bullet during that liberation.
Ilse spent the ‘Honger Winter’ in Leiden. She benefited from the Krantz factory, which had potatoes brought in from the Wieringermeer for the workers. The family were also occasionally able to share a meal at my family’s farm. Krantz also donated a large sum of money to the soup kitchens in Leiden, which would also have helped to put some extra food on the table. Immediately after the liberation, the Krantz family returned from Germany, so that Ilse had company. She would continue to live there until 1950. She then moved to The Hague, where her daughter Louise took care of her. She passed away in 1961, and her children inherited the farm, which was sold to a property developer in 1973. The High-Speed Line (hsl) now runs underneath it.
Saved by goodwill
I came to know Ilse Leembruggen as a modern, independent woman who felt at home amongst the pacifist and feminist vanguard of the time. Her wealth enabled her to support artists and build up a large network of friends. She managed to escape Auschwitz, not because she herself had contacts within the Nazi regime, but because she had friends who went out of their way for her and had connections with people such as Erhard Göpel, Ernst Schwebel and Erich Naumann. She was someone who loved to help others, and in turn her friends stood up for her. Her charming and amiable nature meant she was met with goodwill everywhere she went. That goodwill saved her life, though I must add that many others with a similar sort of network still ended up in Auschwitz. With her generous nature, she was a guardian angel to many, but she herself also had an angel on her shoulder – and a very big one at that.
She weathered the war fearlessly, survived the punishment barracks at Westerbork at the age of 70, and, despite those hardships, never revealed the hiding place of her granddaughters. She managed to retain the dignity instilled in her from childhood, even under the harshest of circumstances. A remarkable woman who left an equally remarkable mark on history.
It was a special experience for me to retrace that path and turn it into a book, with the help of her grandson Philip and her great-granddaughter Jantien.