Werven en derven
Jaar van uitgifte 2019
Nur1 704
Nur2 696
Reeks naam Metamorfosen
Status leverbaar
Taal Nederlands
Bindwijze paperback
Bladzijdes 148
Redactie Marie-Antoinette Willemsen
Extra geïllustreerd
Reeks nummer 13
Plaats van uitgave Hilversum
Druk 1

Inhoud: MARIE-ANTOINETTE WILLEMSEN, Inleiding   BRIAN HEFFERNAN, De prijs van gebed. Twee momentopnamen uit de financiële geschiedenis van de karmel van ’s-Hertogenbosch (1874 en 1925)  HARRY VAN ROYEN, Brouwen voor een hoger doel? Goddelijke voorzienigheid of marktgevoel bij het economisch beleid van cisterciënzerabdijen in de Lage Landen   HANS WENNINK, Kloostergemeenschappen en hun ervaringen met een familiefonds. De Brenninkmeijers en liefdadigheid   ROGIER MOULEN JANSSEN, Nederlandse religieuzen tot op de dag van vandaag actief betrokken op de maatschappij   JEROEN NEUS, ‘We hadden niks en we waren niks’. Een voorbeeld van omgaan met (zak)geld bij de Franciscanessen van Veghel   MARIE-ANTOINETTE WILLEMSEN, De (im)materiële inzet voor het Rijk Gods. Hoe de Franciscanessen van Mariadal hun kapitaal beheerden   JOOST VAN HEST, Verwerving en afstoting van kloosterlijk erfgoed. Een financiële meevaller?   Over de auteurs

'In het leven van kloosterlingen speelde geld nooit een belangrijke rol. Toch hadden ook zij middelen nodig om in hun levensonderhoud te voorzien of hun apostolaatswerken te bekostigen. In de bundel komt het financieel beheer van zowel contemplatieve als actieve instituten aan de orde.' In: KNR-bulletin 23 (2020) 1, p. 39.

Gesignaleerd in: Volzin (maart 2020), p. 56.

Werven en derven

9789087048044
18,
+ Toevoegen
Op voorraad in de webshop
Op werkdagen voor 14.00 besteld, dezelfde dag ter post bezorgd. De levertijd is afhankelijk van de postale diensten.
Plaats op verlanglijstje

Beschrijving

De financiële grondslag van kloostergemeenschappen in de Lage Landen.
 

 

De afgelopen decennia verschenen er tientallen historische studies van ordes en congregaties. Daarin bleef één aspect onderbelicht: de financiële basis waarop de religieuzen in de negentiende en twintigste eeuw hun kloosterleven en de daaruit voortvloeiende activiteiten gestalte gaven. Hoe 'actieve' religieuzen in hun onderhoud voorzagen, is wel bekend. Deden ze in de negentiende eeuw nog werk 'om niet', al gauw ontvingen ze kostgelden, overheidssubsidies en net als leken een salaris voor hun aandeel in het onderwijs, het jeugdwerk of de zorg. Maar hoe stond dat met 'contemplatieve' kloosterlingen? Welk verdienmodel ontwikkelden zij? Daarnaast besteedt deze bundel aandacht aan twee andere financiële kwesties. In de eerste plaats het perspectief van waaruit charitatieve stichtingen ten behoeve van of georganiseerd door religieuzen van de grond kwamen. In de tweede plaats de vraag wat gaat er gebeuren met het materiële en immateriële erfgoed van religieuzen nu de ontkerkelijking doorzet.