De Delftse pottenbakkersnering in de Gouden Eeuw (1575-1675)

Specificaties

Jaar van uitgifte 1993
Nur1 680
Nur2 696
Status leverbaar
Taal Nederlands
Bindwijze ing
Bladzijdes 178
Extra geïllustreerd
Plaats van uitgave Hilversum
Druk 1

De Delftse pottenbakkersnering in de Gouden Eeuw (1575-1675)

Marie-Cornélie Roodenburg | 9065503722
25,
+ Toevoegen
Op voorraad in de webshop
Op werkdagen voor 14.00 besteld, dezelfde dag ter post bezorgd. De levertijd is afhankelijk van de postale diensten.
Plaats op verlanglijstje

Beschrijving

De produktie van rood pottengoed.
 

 

In de jaren '50 van de zestiende eeuw bestierde 'Trijn pottebackers' een pottenbakkerij buiten de Delftse Ketelpoort. Het aantal pottenbakkerijen in Delft nam snel toe van twee in 1575 naar vier in 1600. Rond 1630 bereikte de expansie van deze bedrijfstak haar hoogtepunt met zeven pottenbakkerijen. De pottenbakkers produceerden 'alrehande aerdewerck' voor de lokale markt: kookpotten op drie pootjes (met één of twee oren), tuit-, druip-, water- en mospotten, testen, lollepotten, vergieten, braadpannen, deksels, kneppelen en aardbeienpotten. Het aardewerk was vooral bestemd om in te koken, uit te eten of drinken. Op grond van haar kleur en meest voorkomende vorm (kookpot), wordt dit type aardewerk aangeduid als rood pottengoed. Marie-Cornélie Roodenburg beschrijft uitvoerig en in heldere bewoordingen de pottenbakkersnering in Delft. Zij laat zien hoe deze bedrijfstak georganiseerd was, welke samenhang er bestond tussen produktie en afzetmarkt en beschrijft de economische en sociale positie van de pottenbakker. Hierbij komt ook de rol van het St. Michielsgilde, waarvan de pottenbakkers verplicht lid waren, aan de orde. Zij baseert zich vooral op archivalische bronnen, maar maakt ook gebruik van bronnen betreffende de techniek van het pottenbakken, het bodemarchief, vakkennis uit het recente verleden en heden en klimatologische documentatie. De produktie van rood pottengoed was op ambachtelijke leest geschoeid. De eigenaar-pottenbakker werkte met vrouw en kinderen in zijn bedrijf. Knechten werden alleen aangenomen als er te weinig familieleden waren. Als hun man stierf, zetten de vrouwen het bedrijf zelf voort. Om de inkomsten te verhogen, werd de aanwezige warmte van de oven in de bedrijfsopstal benut om hout, zeil en touw te drogen. De familie Van Bodegem had tevens een teerstoof voor het impregneren van touw en zeil. Adriaen Cornelisz. Cater verkocht ook aardewerk van elders en glaswerk en leverde grondstoffen aan plateelbakkers, de makers van het bekende Delfts blauwe aardewerk. Zo verdienden de meeste pottenbakkers een goed belegde boterham. In de jaren '20 van de zeventiende eeuw verloor de kookpot haar dubbelfunctie: men ging eten uit schotels en borden gemaakt van Delfts plateel of tin. Ook het sterkere pottengoed uit Bergen op Zoom en kook- en bakgerei van niet-keramisch materiaal vormden geduchte concurrenten. Ondanks protectionistische maatregelen van het Delftse stadsbestuur trad de neergang na 1635 definitief in.