De waardering voor de zeventiende-eeuwse literatuur tussen 1780 en 1813

Specificaties

Jaar van uitgifte 1995
Nur1 680
Nur2 621
Status leverbaar
Taal Nederlands
Bindwijze ing
Bladzijdes 384
Extra geïllustreerd
Plaats van uitgave Hilversum
Druk 1

De waardering voor de zeventiende-eeuwse literatuur tussen 1780 en 1813

Evert M. Wiskerke | 9065505148
39,
+ Toevoegen
Op voorraad in de webshop
Op werkdagen voor 14.00 besteld, dezelfde dag ter post bezorgd. De levertijd is afhankelijk van de postale diensten.
Plaats op verlanglijstje

Beschrijving

 

'... hetgeen de leeftijd van PERICLES voor de Grieken, die van AUGUSTUS voor de Romeinen, die der MEDICISSEN voor de Italianen, die van LODEWIJK DEN XIV voor de Franschen is geweest, was voor ons de tijd der regering van de doorluchtige Zoons van WILLEM DEN EERSTEN.' Met deze woorden verklaarde Jeronimo de Vries in 1804 de eerste helft van de zeventiende eeuw tot de bloeiperiode van de Nederlandse literatuur. Wiskerke beschrijft en verklaart in zijn boek de groeiende waardering en aandacht voor de zeventiende-eeuwse literatuur tussen 1780 en 1813 in relatie tot de historische context waarbinnen de literatuurbeschouwers leefden en werkten. Hoewel de literatuurbeschouwers verschillend dachten over de normen waaraan poëzie moest voldoen, beschouwden ze vanuit hun vooruitgangsdenken de zeventiende-eeuwse poëzie als een imperfect product. Rond 1750 ontstond echter in de hele maatschappij een gevoel van verval, dat toegeschreven werd aan een verlies aan nationale waarden. Het literair verval werd weliswaar beschouwd als een louter literair probleem, maar doordat patriotse literatuurbeschouwers bepaalde zeventiende-eeuwse auteurs gingen voorstellen als vertolkers bij uitstek van de grote nationale waarden, kreeg de zeventiende-eeuwse literatuur in moreel opzicht een voorbeeldfunctie. De poëticale tekortkomingen werden vergoelijkt teneinde haar morele relevantie zoveel mogelijk te benadrukken. Door te stellen dat de expressieve vermogens van de dichter (natura) alleen onder specifieke historisch maatschappelijke omstandigheden tot bloei kunnen komen en er vanuit te gaan dat de kennis van de poëtica (ars), gezien binnen het traditionele vooruitgangsdenken, het talent op een gegeven moment remt in zijn ontplooiing, kon De Vries niet alleen het vermeend literair verval verklaren, maar ook de zeventiende eeuw aanwijzen als de bloeitijd van de Nederlandse literatuur.